Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de grootheid en den adel van zijn fijnbesnaarde kunstenaarsziel het mënschenhart heeft geroerd en weer van hefde heeft doen gloeien door zijn in licht en kleur en hjn versmolten scheppingen van innig-doorvoelde tragiek, na een tijdperk van koele rhetoriek en weeke sentimentaliteit.

Hoezeer ook de Haagsche meesters ten volle verdienen allen en ieder afzonderlijk in het hcht te worden gesteld en in in hun gestadige ontwikkeling te worden gevolgd tot in de volle rijpheid van hun rijk en vruchtbaar talent, zal ik mij toch ook ten opzichte van hen moeten beperken binnen de grenzen van mijn bestek door loutere kenschetsing hunner roemruchtige school.

Het karakter der Haagsche school, die behalve aan haar genialen aanvoerder Jozef Israëls, veel te danken heeft aan het voorbeeld der Engelsche kunst van Constable en Chrome en der Fransche, Barbizonsche meesters, van wie Rousseau, Corot, Dupré en Troyon de voornaamsten waren, is, met haar eenvoudige, maar machtige schildertechniek, welke haar wêer verbindt met de traditie onzer glorievolle 17e eeuw, voornamelijk gelegen in de ongekunstelde vertolking onzer zoo bekoorlijke als afwisselende natuur en in de meesterlijke uitbeelding van velerlei om ons heen, waarvan wij de schoonheid misschien nimmer zouden hebben ondergaan, indien het niet tot bezieling ware gekomen in het schüderdriftig gemoed van een naar opvatting saamhoorige groep van begenadigde kunstenaars, die allen te zamen naar de beginselen van het impressionisme, maar ieder naar eigen temperament en persoonlijke visie, hebben gestreefd naar het hoogste wat de schilderkunst aan schoonheid geven kan.

Dank zij de energie en de genialiteit van deze eminente meesters der Haagsche school is deze geklommen tot een zóó hoogen graad van volkomenheid, dat zij, — voor het eerst weêr na bijna twee eeuwen van verwarring, — een glorievolle bladzijde heeft toegevoegd aan de geschiedenis van de Nederlandsche schilderkunst.

Een aantal afzonderlijke kunstenaars vraagt, om dezelfde reden als AUebé en de zijnen, weêr afzonderlijke beschouwing.

Johan Barthold Jongkind en Laurens Alma Tadema, uitgeweken naar den vreemde, Christoffel Bisschop, Pieter Stortenbeker, Johannes Hubertus Leonardus de Haas, Julius

145

Sluiten