Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

proclamatie afgekondigd, waarin den Bataven werd toegeroepen: „gij zijt vrij, gij zijt gelijk". Een 21-tal „provisioneele representanten van het volk van Amsterdam" trad als nieuw bestuur op. Schimmelpenninck werd hun voorzitter. Aan hem is het te danken, dat de beweging in de banen der „gematigdheid" werd geleid, en dat niet werd toegegeven aan den wensch van de talrijke in de wijkvergaderingen en clubs georganiseerde meer radicale elementen, die tegen de nietpatriotten krasse maatregelen begeerden. In verband met den val van het schrikbewind in Frankrijk, was trouwens de ten vorigen jare door Gogel noodig geachte guillotine niet medegekomen. Het Amsterdamseri revolutionair bewind heeft over het algemeen—wanneer men het tijdvak van Maart tot Juni 1798, toen de Jacobijnen den baas speelden, uitzondert — een karakter van „deftigheid" gedragen. Dit neemt echter niet weg, dat de „gelijkheid" voor andersdenkenden slechts in naam bestond. Om deel te kunnen nemen aan de verkiezingen moest men verklaren de beginselen van vrijheid en gelijkheid als „wezenlijke en onvervreemdbare rechten van den mensch en burger" te beschouwen. Menig „Oranjeambtenaar" werd aan den dijk gezet. En toen in 1796 vijftien van de predikanten der Gereformeerde Kerk den eed van trouw aan de constitutie alleen wenschten af te leggen als bewijs van onderwerping, maar niet van instemming, werden ze kort en goed afgezet, en werden de bijeenkomsten, die zij met hunne geestverwanten hielden, door het gepeupel verstoord en door het stadsbestuur verboden. In 1797 werd zelfs door de wijkvergaderingen de afzetting van het raadslid Jan van Staphorst geeischt, omdat hij in den raad het voorstel had durven doen drie afgezette Oranjegezinde ambtenaren te herstellen. Alles in den naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap!

Men mag den nieuwen heerschers den lof niet onthouden, dat zij met grooten ijver de regeeringstaak ter hand namen: de ten archieve bewaarde dikke notulenboeken, waarin hunne besluiten werden opgeteekend, geven er getuigenis van. Maar trots allen goeden wil werd weinig tot stand gebracht.

De schuldenlast, die in 1795 ruim 13 milhoen bedroeg, was in 1810 tot 31 milhoen gestegen. De eene gddheffing — vrijwillig of gedwongen — volgde op de andere, zoowel ten 154

Sluiten