Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwaren arbeid, dat de spoorwegen in den regel moesten worden aangelegd met vreemd personeel, dat de lichaamslengte der lotelingen kleiner werd, dan kunnen wij niet verwachten, dat de toestanden te Amsterdam, waar in 1850 nog steeds een derde deel der bevolking geregeld bedeeld moest worden, belangrijk beter zullen zijn geweest.

Eén groep der werklieden heeft hoogere loonen verdiend en wel de diamantshjpers. Hadden deze steeds in iets betere conditie verkeerd, waartegen evenwel de periodieke werkeloosheid bij het bewerken van een artikel, welks verbruik, zoo nauw voeling hield met den algemeenen economischen toestand, opwoog, een abnormaal gunstig tijdperk brak aan na 1870, toen de Kaapsche mijnen een massa ruwe diamant op de wereldmarkt brachten. In de beste jaren van „de Kaapschen tijd" verdienden de 1200 werklieden in deze industrie gemiddeld een weekloon van ƒ130 per week, elf maal zooveel als tien jaar te voren; enkele slijpers brachten het zelfs tot ƒ200 per week; reeds in 1875 begonnen de verdiensten echter weer sterk te dalen.

Onder zoo neerdrukkende omstandigheden, waarbij alleen de jeneverflesch eenige opwekking gaf, bij een zoo laag peil van ontwikkeling, als de toenmalige arbeiders bezaten, behoeft het ons niet te bevreemden, dat zich hier eerst laat bij de arbeiders een bewust streven begint te openbaren tot verbetering hunner omstandigheden. Van aaneensluiting van arbeiders, buiten de van ouds bestaande ziekte- en begrafenisfondsen, bemerken wij weinig; in 1861 werd een typografenvereeniging opgericht; in 1865 volgden de timmerheden, die door de stadsuitbreiding sterk in aantal toenamen, met een organisatie: Concordia Inter Nos. In 1866 bestond hier verder een schildersgezellen vereeniging: in 't zelfde jaar vereenigden zich de brillantshjpers, in 1870 de metselaars; in 1868 merken we het bestaan eener afdeeling der St. Jozefsgezehen-Vereeniging op, voorloopster van den RoomschKathohekeri Volksbond (1888); in 1871 ontstond het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond. De meeste dezer embryonale yakvereenigingen, waaromtrent ongeveer niets bekend is, behielden naar het schijnt het oude fondskarakter; eerst ui 1872 werd trouwens door de opheffing van de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Strafrecht op aan-

175

Sluiten