Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den Voorzitter vragen betreffende de jury aan de afdeelingen voorgelegd, door deze onderzocht en vervolgens door de Kamer*in comité-generaal behandeld (Hand. 1828— 1829, blz. 451, 479—544; bijl. blz. 135—139). Voorts werden nog vragen aan de afdeelingen ter beantwoording voorgelegd door de commissie, welke in de zitting 1841—1842 was belast met het doen van voorstellen tot herziening van het reglement van orde (Hand. 1841—1842, bijl. blz. 28/29 en 49), terwijl in diezelfde zitting door den Minister van Binnenlandsche Zaken, nadat hij had kennisgenomen van de processen-verbaal van het afdeelingsonderzoek betreffende de wetsontwerpen omtrent de uitoefening van het stem- en kiesrecht, vraagpunten ter beantwoording aan de afdeelingen werden toegezonden (Hand. 1841—1842, bijl. blz. 283, 290 en 291).

Het onderzoek van initiatief-voorstellen der Kamer geschiedde op dezelfde wijze als dat van wetsvoorstellen des Konings (art. 114 der Grondwet).

Openbare beraadslaging. De algemeene verslagen der Centrale afdeeling werden gedrukt, aan de leden rondgedeeld en in eene openbare vergadering uitgebracht. Tusschen het uitbrengen van het verslag en de beraadslaging verliepen als regel 24 uren (de Geer, blz. 35). Bij de beraadslaging mocht een lid meer dan eenmaal het woord voeren. 1) De artikelen van een wetsontwerp werden niet afzonderlijk in beraadslaging gebracht. Over de wetsontwerpen werd hoofdelijk gestemd. Gebruik was, dat de Voorzitter het laatst zijne stem uitbracht. (Zonder hoofdelijke stemming werden, wanneer geen der leden stemming verlangde, alleen goedgekeurd de notulen en de conclusiën van verslagen over verzoekschriften e. d.)

Adressen aan den Koning. Het was gebruik de Openingsrede van den Koning met een adres te beantwoorden. Bij andere gelegenheden, o.a. bij huwelijken, geboorten of overlijden in de Koninklijke familie, naar aanleiding van de overwinning van Palembang in 1822 en na gedane mededeelingen omtrent de staatkundige gebeurtenissen in 1830—31, zijn

1) Vóór 1830 werden de redevoeringen in het Hollandsen of in het Fransch uitgesproken. Het kwam ook voor, dat een spreker, nadat hij zijne rede had beëindigd, den hoofdzakelijken inhoud daarvan in de andere taal herhaalde. Vgl. Hand. 1819—20, blz. 90.

8

Sluiten