Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarbij de benoeming dezer commissie werd voorgeschreven en werd bepaald, dat de in eene zitting niet afgedane verzoekschriften bij de in de volgende zitting te benoemen commissie zouden worden overgebracht.

Tweeërlei conclusies waren gebruikelijk: nederleggen ter griffie, ter inzage van de leden, en overgaan tot de orde van den dag. Enkele malen zijn verzoekschriften ter kennisneming gezonden aan de Regeering (o. a. 23 Juli 1816, 23 Februari en 26 Mei 1820, 25 Februari 1829). Aangezien de vergaderingen der Kamer in het openbaar werden gehouden, werd aan de verzoekers niet afzonderlijk kennisgegeven van de beslissingen over hunne adressen.1) Dit is nog heden ten dage zoo, op denzelfden grond. Het doen drukken van verzoekschriften door de Kamer is wel eens voorgesteld, maar verworpen (o. a. 5 December 1817, 27 November 1826 en 23 April 1835).2) Reeds vóór 1837 gebeurde het vaak, dat — zooals tegenwoordig op ruime schaal plaats vindt — adressanten bij de inzending van hun verzoekschrift gedrukte exemplaren ter ronddeeling aan de leden voegden.8)

Volgens de bepalingen van het reglement van 1815 en de daarnaast door de practijk in het leven geroepen regels en gebruiken, heeft de Kamer tot 1842 hare werkzaamheden verricht. In het tijdvak van 1815—1842 zijn de volgende voorstellen betreffende het reglement van orde gedaan.

In de zitting 1816—1817 stelden de heeren Schiervel d'Altenbrouck, Vilain XIV en Gendebien voor het reglement van orde aan eene herziening te onderwerpen en werd den 25sten October 1816 naar aanleiding van dit voorstel eene commissie benoemd, ten einde te onderzoeken of verandering van het reglement noodig was en om eventueel de noodige wijzigingen voor te stellen. Hare voorstellen, 3 December bij de Kamer ingediend, betroffen vier punten: het vermelden in de notulen van de leden, die bij hoofdelijke oproeping afwezig waren (dit ter voorkoming

1) De Geer, blz. 98.

2) In Nov. 1871 is de Kamer van den regel om verzoekschriften niet te doen drukken, afgeweken ten aanzien van een adres van de Koloniale Staten van Suriname. Hand. 1871—72, blz. 109—110, 362/3.

3) De Geer, blz. 99.

10

Sluiten