Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Burgerlijk Wetboek, welke hiervoren reeds zijn vermeld, vastgesteld, terwijl in de zitting 1821—1822 een voorstel van den heer van Hogendorp werd aangenomen, strekkende om, ter bespoediging van de behandeling van het Burgerlijk Wetboek, den Koning te verzoeken over voorname punten van stellig recht vraagpunten aan de Kamer voor te leggen (Hand. 1819—1820, blz. 36, 116, 120, 124— 126; bijl. blz. 352, 355; Hand. 1820—1821, blz. 40—41, 43—62; bijl. blz. 609—614; Hand. 1821—1822, blz. 38—39, 40, 92; bijl. blz. 336—340).

In de zitting 1822—1823 deed de heer Metelerkamp een voorstel tot het invoegen van een viertal artikelen in het reglement, houdende maatregelen tegen afwezigheid der leden. Het kwam zeer veel voor, dat vergaderingen wegens slechte opkomst der leden niet konden doorgaan of veel te laat moesten beginnen (zie de rede, waarmede de heer Metelerkamp zijn voorstel toelichtte: blz. 105 van de Hand.; de rede van den heer Reyphins op blz. 106 van de Hand. der zitting 1819—1820 en het verslag der Centrale Sectie over het voorstel-van Lynden van Hoevelaken in de zitting 1819—1820). Het voorstel werd in de afdeelingen niet gunstig ontvangen en door den voorsteller in verband daarmede ingetrokken (Hand. 1822—1823, blz. 105—106, 134, 168; bijl. blz. 817—819).

Een in de zitting 1824—1825 door den heer Warin gedaan voorstel om te bepalen, dat een spreker niet meer dan tweemaal over hetzelfde onderwerp zou mogen spreken, tenzij hij een voorstel had gedaan, werd na het verslag der Centrale Sectie zoodanig gewijzigd, dat het strekte om te bepalen, dat in het algemeen een lid niet meer dan eenmaal over hetzelfde onderwerp mocht spreken. Dit gewijzigde voorstel is echter niet in beraadslaging gekomen, omdat het door den voorsteller werd ingetrokken (Hand. 1824—1825, blz. 48, 244; bijl. blz. 416—417.

In de zitting 1829—1830 deed de heer Barthelemy een voorstel tot het invoegen van artikelen in het reglement van orde, nopens de wijze van handelen, wanneer autorisatie mocht worden gevraagd tot het aanleggen eener rechterlijke vervolging van leden der Staten-Generaal, Ministers, e. a. De Kamer besloot de behandeling van het voorstel te verdagen, in verband met de beraadslagingen over het Wetboek

12

Sluiten