Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog ten aanzien van- twee andere onderwerfSén stelde de commissie nieuwe bepalingen voor. In de eerste plaats de invoeging van een hoofdstuk handelende over de uitoefening van het recht van enquête, in verband met de wet van 5 Augustus 1850. Het tweede onderwerp betrof de vraag, welke gevolgen de sluiting eener zitting moest hebben voor de bij de sluiting nog aanhangige wetsontwerpen en andere zaken. Dit is eene queastie, die gedurende vele jaren heel wat stof heeft opgeworpen en de gemoederen zeer heeft bezig gehouden, thans sedert eene halve eeuw is opgelost en geenerlei actueel belang meer heeft, maar welke in dit historisch overzicht de haar toekomende plaats moet worden gegeven.

Tot dusver was de regel gevolgd — uitzonderingen waren alleen wel eens gemaakt ten aanzien van verzoekschriften — dat door de sluiting alle aanhangige werkzaamheden der Kamer voorgoed gestuit werden. Met het oog op het hierdoor ontstaande tijdverlies — het was toch noodzakelijk om wetsontwerpen, waarvan de behandeling in eene zitting niet was ten einde gebracht, opnieuw bij de Kamer in te dienen en de behandeling van meet af te doen plaats hebben — was reeds vroeger eene poging gedaan om verandering te dien opzichte aan te brengen. Gedurende de zitting 1849 waren het ontwerp van wet omtrent het lager onderwijs en het ontwerp-gemeentewet onafgedaan gebleven. Bij den aanvang der zitting 1849—1850 stelde de Voorzitter voor om deze wetsontwerpen, naar aanleiding van art. 67 van het reglement van orde — hetwelk zoo iets echter niet scheen toe te laten — naar de nieuwe afdeelingen over te brengen, en dus het beginsel aan te nemen, dat door de sluiting de behandeling van in de vorige zitting aanhangig gebleven zaken niet werd gestuit. Dat beginsel vond bestrijding. Op voorstel van Thorbecke werd met 40 tegen 7 stemmen besloten het nemen van eene beslissing ten deze uit te stellen. Op dit besluit had invloed, dat het Ministerie zijn ontslag had ingediend (Hand. 1849—1850, blz. 9). Bij het optreden van het'nieuwe Ministerie verklaarde Thorbecke in de vergadering van 13 November 1849, dat het gouvernement van oordeel was, dat de sluiting der zitting de behandeling der toen aanhangige wetsontwerpen had gestuit (Hand. 1849—1850, blz. 26). Dit gaf aanleiding, dat

41

Sluiten