Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden als oorzaken, waaraan zulks moest worden toegeschreven, vermeld: de onverhoedsche invoering, zonder dat de leden in den eigenlijken aard van het stelsel genoegzaam hadden kunnen doordringen; de niet voldoende uitwerking van het stelsel in het reglement; de te korte duur van de werking der bepalingen; gebrek aan medewerking bij een deel der Kamer; het niet voldoende in acht nemen van de in het stelsel der zelfstandige rapporteurs behoorende benoeming van rapporteurs in den geest van de meerderheid in elke afdeeling, zoodat het gevoelen van de meerderheid der Kamer in de verslagen niet altijd genoegzaam tot zijn recht kwam; het minder gelukkige denkbeeld om voortdurend in elke afdeeling een secretaris te doen optreden, niettegenstaande de instelling van afdeelingssecretarissen van den aanvang af bij velen weerzin had gewekt; de late ronddeeling der verslagen, die niet zelden eerst kort voor de openbare beraadslaging in handen der leden kwamen. Er waren maar weinig leden, die de proef met de zelfstandige rapporteurs voortgezet wenschten te zien. De meerderheid meende, dat verdere toepassing de belangstelling in de afdeelingsvergaderingen zou doen verflauwen; dat èn de leden èn de Regeering slechts onvolledig met het in de sectiën behandelde bekend zouden worden en dat de beraadslaging over omvangrijke voorstellen door de voortdurende tusschenkomst der commissie van rapporteurs „noodeloos" zou worden gerekt. Echter waren er maar weinigen, die tot het onveranderde reglement van 1849 wenschten terug te keeren. Men wilde een middenweg, n.1. „de toekenning van zekere mate van zelfstandigheid aan de rapporteurs, zoodanig, dat niet aan den nuttigen voórarbeid der afdeelingen en aan het volledig bekend worden daarvan werd tekort gedaan". Nog twee andere hoofdpunten werden in het verslag naar voren gebracht. In de eerste plaats de regels omtrent de uitoefening van het recht van amendement. Men meende vrij algemeen, dat van het recht van amendement een te ruim gebruik werd gemaakt. De meerderheid was er voor het in beraadslaging brengen van amendementen moei-

rapporteurs niet gebleken, anderzijds ook niet van krachtvolle leiding. Hij drukte het kernachtig zóó uit: „Wij zijn niet aan den leiband geraakt, maar, ten gevolge van onze weerbarstigheid wellicht, ook de leiding viel ons niet te beurt.'

45

Sluiten