Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd, zoolang een wetsartikel aan de orde was, daarop amendementen konden worden voorgesteld, mits de Kamer daartoe verlof gaf.

Het voorstel was door het uitbrengen van eindverslag op 27 Maart voor de beraadslaging gereed. Deze had 4 en 5 Mei 1852 plaats. Daarbij werd, op voorstel van de commissie voor de herziening zelve, in de voorgedragen bepalingen betreffende de amendementen, zoodanige wijziging gebracht, dat de beperkende voorwaarde voor de toelating van tijdens de beraadslaging voorgestelde (z.g. geïmproviseerde) amendementen werd geschrapt en voor alle amendementen alleen de ondersteuning door vijf leden werd gevorderd om in beraadslaging te kunnen komen. Voorts werd door aanneming van een amendement de bepaling in het reglement gebracht, dat de Voorzitter veranderingral in het volgnummer der artikelen, noodig geworden door wijzigingen bij de beraadslaging in een wetsontwerp gebracht, zoomede veranderingen in de aanhaling van het nummer van artikelen, welke het gevolg daarvan zijn, kan aanbrengen. Op zoodanige bepaling had de Minister Thorbecke aangedrongen. Deze laatste mengde zich herhaaldelijk in de discussie. In verband met het verlaten van het stelsel van zelfstandige rapporteurs bij de voorstellen der herzieningscommissie, meende hij, dat dan ook niet behoorde voorgeschreven te worden, dat het verslag over een wetsontwerp moest bevatten het eigen oordeel der commissie van rapporteurs omtrent de verschillende punten bij het voorloopig verslag en de memorie van antwoord behandeld, benevens de ontwerpen der wijzigingen van! het voorstel, welke de commissie raadzaam achtte, en dat te minder, waar de commissie bij de openbare beraadslaging geheel werd uitgeschakeld en dus haar oordeel niet mondeling kon toelichten en verdedigen tegen bij de discussie gemaakte bedenkingen. Legde men de eerste verplichting aan de commissie op, dan moest zij ook blijven bestaan totdat de discussie over het wetsontwerp was afgeloopen. De Kamer gaf den Minister geen gelijk; zij nam het voorstel op dit punt zonder hoofdelijke stemming aan.

Voorts had nog eene vrij uitvoerige gedachtenwissehng plaats over de quaestie „sluiting is stuiting". De heer Groen van Prinsterer stelde bij amendement voor om het artikel in

50

Sluiten