Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het voorstel. De conclusie van het verslag der commissie werd evenwel aangenomen met 32 tegen 31 stemmen. Dientengevolge werd door de afdeelingen eene commissie benoemd om voorstellen te doen tot herziening van het reglement van orde. Leden dier commissie waren de heeren Heemskerk Bz., Dullert, Geertsema, van Eek en van der Linden. In het laatst van 1867 hield deze commissie onderscheidene vergaderingen, waarin veel verschil van gevoelen heeft geheerscht.*) Door de ontbinding der Kamer in 1868 werd het werk der commissie echter gestaakt.

(Hand. 2de zitting 1866—1867, blz. 1115, 1179; bijl. blz. 994, 1045; Hand. 1867, blz. 12, 29—32, 45.)

ïitting 1868—1869. Na het bijeenkomen der nieuwe Kamer in Februari 1868 bleken verschillende nieuwe leden der Kamer herziening van het reglement van orde wenschelijk te achten en een hunner, de heer J. de Bosch Kemper, maakte den 21 sten September 1868 een voorstel tot herziening bij de Kamer aanhangig. In de toelichting tot zijn voorstel bracht hij, door overneming van een groot deel van de gewisselde stukken, zeer uitvoerig de voorstellen tot herziening van 1864 in herinnering en motiveerde daarbij ten aanzien van de belangrijkste punten daarvan zijne meening. Hij oordeelde, dat vooralsnog niet tot het stelsel van zelfstandige rapporteurs moest worden besloten, maar dat de weg moest worden aangewezen om bij een belangrijk wetsontwerp, zooals het Wetboek van Strafvordering, eene andere wijze van onderzoek te volgen dan de tot dusver gebruikelijke, en hij stelde voor bij ontwerpen, die het naar de meening der Kamer vereischten, op voorstel van den Voorzitter of van eenige leden, eene commissie van adviseurs te benoemen, ten einde advies uit te brengen vóór het afdeelingsonderzoek. Deze adviseurs zouden met de door de afdeelingen te benoemen rapporteurs tot ééne commissie kunnen worden vereenigd. Behalve een aantal wijzigingen van minder belang en eenige geringe wijzigingen ten aanzien van de schriftelijke gedachtenwisseling tusschen de Kamer en de Regeëring, ontwierp de heer de Bosch Kemper eene bepaling betreffende de beantwoording van vragen, die de Regeering in het belang van het gemeen overleg aan

*) Zie bijl. 1868—1869, blz. 129—130.

59

Sluiten