Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zou worden vergaderd, omdat naar hun oordeel de vele werkzaamheden der Kamer, vooral in den tijd, dat de begrootingen moeten worden afgedaan, niet toelieten den Zaterdag geheel vrij te laten.

Blijkens het door de commissie van rapporteurs_op 12 November uitgebrachte verslag, vond het voorstel in de afdeelingen slechts enkele voorstanders. Na kennisnenung van het verslag stelden de voorstellers nader voor te bepalen, dat als regel des Zaterdags geen vergadering zou worden gehouden, behalve in November en December. Ook dit voorstel vond bij de Kamer geen genade en werd den 28sten Maart met 45 tegen 16 stemmen verworpen. (Hand. 1875—1876, blz. 1222—1223; bijl. 78.) 17 December 1875 deed de heer Insinger het voorstel om aan artikel 65 van het reglement de bepaling toe te voegen, dat de motie tot sluiting der beraadslaging niet anders zou mogen worden ingediend dan met de woorden ,,Ik stel voor" of „Wij stellen voor" de beraadslagingen te sluiten. Blijkens het onder dagteekening van 1 Maart 1876 uitgebrachte verslag der commissie van rapporteurs had dit voorstel bij de Kamer veel instemming gevonden. Algemeen oordeelde men, dat het reglement het beginsel behoorde te handhaven, dat elke motie tot sluiting van het debat los moet zijn van een considerans. Die bedoeling werd door het voorstel verduidelijkt. Men meende echter, dat het wat ver ging letterlijk de woorden voor te schrijven waarin de leden hunne denkbeelden mochten uitdrukken. De commissie van rapporteurs, dit beamende, stelde voor te lezen „De motie tot sluiting mag niet met redenen zijn omkleed". Toen het voorstel den 28sten Maart in beraadslaging kwam, verklaarde de heer Insinger deze redactie over te nemen. Zijn voorstel werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen, (Hand. 1875—1876, blz. 1223—1224; bijl. 121.) Daags na de verwerping van het voorstel van de heeren Gratama en Schimmelpenninck van der Oije had de Kamer zich genoodzaakt gezien toch tot het houden eener vergadering op Zaterdag te besluiten. De heeren Insinger en Schimmelpenninck van der Oije vonden daarin aanleiding den 30sten Maart 1876 voor te stellen, dat indien op het voor de vergadering vastgestelde uur niet de helft der leden plus één tegenwoordig was, appèl-nominaal zou worden ge-

80

Sluiten