Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhaasten". Aan dezen in keurigen vorm gegeven raad om het er nu maar bij te laten, gaf de heer van Eek geen gevolg. Integendeel drong hij in de vergaderingen van 21 December 1883, 4 April en 21 Mei 1884 (Hand. bl. 821, 1293 en 1402 — 3) op spoedige behandeling van zijn voorstel aan. 30 Mei kwam het in beraadslaging. Nadat het hoofdbeginsel met 29 tegen 22 stemmen verworpen was, trok de heer van Eek zijn voorstel in.

(Hand. 1881—1882, bijl. 137; 1882—1883, bijl. 75; Hand. 1883—1884, blz. 1476—1490, bijl. 68.)

Den 2den April 1884 nam de Kamer met 56 stemmen tegen 1 een voorstel aan van den heer van Blom en drie andere leden, om voor de behandeling van de wetsontwerpen tot invoering van het Wetboek van Strafrecht het reglement van orde in denzelfden zin te wijzigen als voor de behandeling van dat Wetboek zelf had plaats gehad, met deze afwijking echter, dat de commissie van rapporteurs niet een leidraad voor de algemeene beschouwingen in de afdeelingen zou ontwerpen.

(Hand. 1883—1884, blz. 1235—1237; bijl. 184.)

Zittingen 1888 en 1888—1889. Na het tot stand komen der Grondwet van 1887 was het noodig eenige wijzigingen m het reglement van orde te brengen. De heeren de Savornm Lohman en Schaepman dienden den 7den Mei 1888, eene week na het optreden der nieuwe Kamer, gekozen volgens de nieuwe grondwettelijke bepalingen, een daartoe strekkend voorstel in. Zij knoopten daaraan vast voorstellen tot het aanbrengen van andere, huns inziens nuttige en wenschelijke wijzigingen.

De voorstellen betroffen in hoofdzaak:

1°. de instelling van commissiën van onderzoek (voorbereiding) voor belangrijke wetsontwerpen;

2°. de instelling van ééne, voor eene geheele zitting te benoemen, commissie (van 15 leden) voor de Staatsbegroting en de suppletoire begrootingen;

3°. het invoeren van eene tweede lezing voor wetsontwerpen, die tijdens de openbare beraadslaging wijzigingen hebben ondergaan;

4°. nieuwe inrichting der commissie voor de verzoekschriften.

89

Sluiten