Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de Grondwet toegekende vrijheid om de wetsontwerpen niet in de afdeelingen te onderzoeken, gebruik behoorde te worden gemaakt en hoe de ontwerpen behandeld behoorden te worden, die niet in de afdeelingen zouden worden onderzocht. Ten aanzien van dit punt werd door de commissie van rapporteurs, bij het mondeling overleg, dat zij omtrent een aantal belangrijke punten met de voorstellers had, de meening uitgesproken, dat er aanleiding bestond het afdeelingsonderzoek voor eenvoudige ontwerpen te doen vervallen; zij wenschte het voorbereidend onderzoek van die ontwerpen opgedragen te zien aan eene commissie van vijf leden, terwijl de leden der Kamer bevoegd zouden zijn zich met die commissie in betrekking te stellen tot mededeeling van hunne beschouwingen over het voorstel. De voorstellers bleken echter ongezind tot afschaffing van het afdeelingsonderzoek voor wetsontwerpen van eenvoudigen aard mede te werken.

In het voorloopig verslag werden verscheidene punten, in het voorstel niet aangeroerd, besproken. Ten aanzien van het meerendeel daarvan deden de voorstellers bij hunne memorie van antwoord nadere voorstellen. Aan een drietal in het verslag besproken punten werd verder geenerlei gevolg gegeven; de voorstellers deden daaromtrent geen voorstel en bij de openbare behandeling werden zij ter zijde gelaten. Zij betroffen: het invoeren van stemming bij zitten en opstaan; de erkenning van de bevoegdheid van de leden om zich bij stemmingen te onthouden; het aanwijzen van een vasten dag, waarop tot de Regeering „vragen" zouden kunnen worden gedaan.

De bij het antwoord gedane nadere voorstellen betroffen o.m. de vernieuwing der afdeelingen na elk reces, mits vier maanden sinds de vorige loting waren verloopen; het onderzoek van Regeeringsbescheiden en de verdediging van initiatiefvoorstellen in de Eerste Kamer.

De Voorzitter deed in de vergadering, waarin het eindverslag der commissie van rapporteurs werd uitgebracht (10 Juli 1888), het voorstel om het reglement van orde te behandelen in de eerstvolgende openbare vergadering. Na beraadslaging werd op voorstel van den heer Schimmelpenninck van der Oije van Nijenbeek besloten, het voorstel

94

Sluiten