Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE I.

Eenige bepalingen uit de reglementen van orde van de Nationale vergadering van 1796, van de Constitueerende Vergadering en van de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks van 1798. — Reglement van orde van het Wetgevend Lichaam van het Koninkrijk Holland.

De reglementen van 17% en 1797, in hoofdzaak gelijkluidend, hielden onder meer de volgende bepalingen in.

Na de opening der vergadering met een kort gebed, werd de presentielijst opgelezen en moesten de leden door een duidelijk antwoord blijk geven van hunne tegenwoordigheid. De President deelde*in de vergadering mede aan welke leden hij wegens ziekte of andere wettige redenen, verlof tot afwezigheid had gegeven en voor hoe lang. De President mocht zoodanig verlof alleen schriftelijk geven. Achtte hij de reden, waarom verlof werd gevraagd, niet wettig of den tijd, waarvoor het werd verzocht, te lang, en drong het lid op inwilliging van zijn verzoek aan, dan werd de beslissing der Kamer ingeroepen. Alle voorstellen, welke de leden wilden doen, moesten op schrift worden ingeleverd. De spreker mocht „nooit de adviezen zijner medeleden taxeeren"; hij moest altijd „bescheiden uitdrukkingen bezigen". De President was gehouden een spreker, die eenige onvriendelijke woorden mocht gebruiken, tot de orde te roepen, en, bij ongehoorzaamheid, hem stilzwijgen op te leggen. Wanneer een lid „bezig was te adviseeren", mocht de President hem alleen in de rede vallen om hem tot het onderwerp der overweging terug te brengen. De spreker, die eene lange rede of een uitvoerig rapport moest uitbrengen, was verplicht van het spreekgestoelte gebruik te maken; mocht over hetzelfde onderwerp niet meer dan tweemaal spreken. De spreker mocht niet gehinderd of gestoord worden en de President was gehouden „alle inspraak en afzonderlijke gesprekken der leden te verhinderen". Zonder hoofdelijke stemming konden besluiten worden genomen, maar wanneer één of meer leden het

127

Sluiten