Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 3—4. evenredige vertegenwoordiging niet meer bruikbaar. Uit,de bepaling, dat de commissie wordt benoemd „zoodra meer dan vijftig benoemde leden tegenwoordig zijn" volgt, dat die benoeming in eene daartoe belegde vergadering moet geschieden en derhalve afhankelijk is van de aanwezigheid van het quorum. Bezwaar heeft dit, wat het zoo spoedig mogelijk constitueeren eener nieuwe Kamer betreft, nooit gegeven; zoolang de bepaling heeft bestaan, is voor het eerste bijeenkomen der Kamer steeds het vereischte aantal leden tegenwoordig geweest.

Vgl.: voor commissies bij optreden eener nieuwe Kamer, Hand. 1918—19, blz. 4; Hand. 1922, blz. 3;

voor commissies bij het inkomen van afzonderlijke geloofsbrieven, o. a.: Hand. 1918—19, blz. 107, 185; Hand. 1921—22, blz. 21, 247; Hand. 1922—23, blz. 3, 29; Hand. 1923—24, blz. 3, 321, 1937; Hand. 1924—25, blz. 3.

Art. 4. Deze commissie brengt, na onderzoek van de geloofsbrieven, van de andere vereischte stukken en van die, welke over de verkiezing der leden zijn ingekomen, schriitelijk oi mondeling verslag uit.

De geloofsbrieven en daartoe betrekkelijke stukken worden ter griffie der Kamer nedergelegd ter inzage van de leden.

(Art. 4 1888, 1874, 1872, 1852, 1851; art. 3 1849, 1846, 1842.)

Behalve de geloofsbrieven en de daarbij behoorende, onder art. 2 vermelde stukken, worden in handen van de commissie gesteld:

het afschrift van het proces-verbaal van het centraal stembureau, bedoeld in artt. 110 en 130 (of 136 en 137) der Kieswet, door den voorzitter van dat bureau aan de Kamer ingezonden;

de bewijzen van eedsaflegging, indien de leden door de(n) Koning (in) zijn beëedigd;

bezwaarschriften betreffende de verkiezing, welke bij de Kamer inkomen.

De verslagen der commissiën worden gewoonlijk mondeling, door haren voorzitter uitgebracht. *) Het verslag der

i) O a. Hand. 1918—19, blz. 114, 197, 582; Hand. 1921—22, blz. 255; Hand. 1922. blz. 5: Hand. 1922—23, blz. 4, 32, 36; Hand. 1923—24, blz.

4, 325, 1941; Hand. 1924—25, blz. 4.

196

Sluiten