Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 38—39. Instelling van eene bijzondere commissie, niet volgens besluit van de Centrale afdeeling, maar op voorstel van twee leden en niet met het doel een wetsontwerp, maar daarmede in verband staande zaken te onderzoeken:

10 Maart 1920, bij de algemeene beraadslaging over de wetsontwerpen tot aanvulling en verhooging van hoofdstuk X der staatsbegrooting voor 1917—1919, in verband met de proefinstallatie-v. Calcar voor veevoederfabricage uit afvalproducten (1919—20, bijl. 207, 271), deden de heeren de Savornin Lohman en Dresselhuys het voorstel eene bijzondere commissie te benoemen, aan welke zou worden opgedragen verslag uit te brengen over een onderzoek ter zake van de overeenkomsten en geldelijke gevolgen daaruit voortgevloeid of nog voort te vloeien en om inmiddels de beraadslaging over de ontwerpen te schorsen.

De Voorzitter en de heeren Rutgers en Nolens betoogden, dat art. 38 niet toepasselijk was voor een geval als dit; dat het artikel betrekking heeft op wetsontwerpen, onmiddellijk als zij inkomen, en niet op een ontwerp, waarvoor reeds eene commissie van rapporteurs bestond, en dat men bij aanneming van het voorstel zou krijgen niet eene commissie om het wetsontwerp te onderzoeken, maar tot onderzoek van speciale feiten. De heer de Savornin Lohman gaf toe, dat art. 38 niet volkomen toepasselijk was, omdat het betrekking heeft op een wetsvoorstel zelf, terwijl het hier meer ging om beoordeeling van de met het wetsontwerp in verband staande contracten, maar hij handhaafde zijn voorstel om voor dit bijzonder geval, in den geest van art. 38, eene technische commissie te benoemen. De bedoeling van de voorstellers was, dat naar analogie van art. 38 voor deze commissie alle bepalingen zouden gelden, welke op bijzondere commissies betrekking hebben.

De Kamer nam den volgenden dag het voorstel aan met 42 tegen 39 stemmen. De Voorzitter benoemde denzelfden dag de leden der commissie (Hand. 1919—20, blz. 1551— 1554 en 1556).

Art. 39. De bijzondere Commissie bestaat nit vijf leden, door den Voorzitter te benoemen.

Is voor een voorstel eene bijzondere Commissie benoemd, dan kan de Centrale Afdeeling besluiten, dat andere voorstellen naar dezelfde Commissie zullen worden gezonden: de tweede en derde volzin van

236

Sluiten