Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar bij amendement, stelde hij voor de motie later bij het Artt. 67—68. artikel, waarop het bewuste amendement was voorgesteld, te behandelen. Daartoe werd besloten. Hand. 1918—19, blz. 2283—2286.

Motie, strekkende om de Ministers van Koloniën en van Financiën uit te noodigen bij de behandeling der Vlootwet tegenwoordig te zijn. Hand. 1921—22, blz. 2344.

Motie (bij de behandeling van de conclusie van het verslag eener commissie tot onderzoek van aan de Kamer door de Regeering verstrekte inlichtingen) in de plaats van die conclusie aangenomen. Hand. 1856—57, blz. 118—120.

Art. 68. Ieder lid spreekt staande en Tan zijne zitplaats of van de spreekplaats.

(Art. 53 1888; art. 47 1874, 1872, 1852; art. 45 1851; art. 33 1849; art. 31 1846 en 1842.)

Met den aanvang der zitting 1906—7 is een spreekgestoelte in gebruik genomen. Reeds in 1876 was door de commissie voor de stenografie voorgesteld een spreekgestoelte in de zaal op te richten, doch dit voorstel werd verworpen (Hand. 1875—76, blz. 1224—1227). Bij de herziening van het reglement in 1888 werd bepaald, dat een lid, behalve van zijne gewone, ook kon spreken van ,,eene uitsluitend daartoe aangewezen" zitplaats. Naar aanleiding van die bepaling werd eene bank, de eerste aan de rechterzijde naast het voorzitterspodium, daartoe aangewezen. Deze spreekplaats verviel, toen in 1906 het spreekgestoelte werd ingericht.

Wegens zwakte of ongesteldheid is aan leden wel verlof verleend zittende te spreken. Vgl. Hand. 1856—57, blz. 958; Hand. 1905—6, blz. 127. Aan een lid verlof verleend van de plaats van een zijner medeleden het woord te voeren: Hand. 1899—1900, blz. 138.

Het is gewoonte, dat de spreker het woord richt tot den Voorzitter en niet de vergadering, de leden of de Ministers aanspreekt. Na 1848 is dit gebruik geworden; vóór dien tijd sprak men de Kamer aan met „Edel Mogende Heeren" of „Mijne Heeren". Bij afwijking van het gebruik om tot den Voorzitter het woord te richten, herinnert deze de sprekers daar aan. Vgl. o. a. Hand. 1898—99, blz. 389; Hand. 1924— 25, blz. 1708, 2114, 2116.

279

Sluiten