Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht. Vgl. daaromtrent zitting 1918—19, bijl. 306, nos. 1, Artt. 74—75. 2 en 3 (ad art. 61a) en Hand. 1918—19, blz. 1767—1768. De bepaling heeft nimmer toepassing gevonden.

Art. 75. Niemand voert meer dan tweemalen, ook niet om de Ministers oi voorstellers te beantwoorden, over hetzelfde onderwerp het woord, tenzij de Kamer hem hiertoe verlof geve.

Bij de bepaling, hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp gesproken heeft, wordt niet medegerekend het spreken over een persoonlijk ieit door het lid, wien dat feit betreft, het spreken tot toelichting van eene door een lid voorgedragen wijziging, noch ook het beantwoorden van de Ministers door den voorsteller eener wijziging.

(Art. 58 1888; art. 52 1874, 1872, 1852; art. 50 1851; art. 38 1849; art. 36 1846; art. 35 1842.)

De bepaling omtrent het niet meer dan tweemaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp, zonder verlof der Kamer, komt sedert 1842 in het reglement voor. Slechts van 1872—1874 heeft eene andere bepaling gegolden, die bij de reglementsherziening in eerstgenoemd jaar, op voorstel van den heer van Houten, in het reglement werd gebracht. Toen werd nl. bepaald: „Niemand voert bij algemeene beraadslaging meer dan eenmaal, en bij beraadslaging over onderdeelen meer dan tweemalen het woord, tenzij de Kamer hem daartoe verlof geve." De bedoeling was om door inachtneming van dit voorschrift tot bekorting der discussies te komen. Er was echter bij het maken der bepaling niet genoeg op gerekend, dat, wanneer een lid vroeg om voor de tweede maal te mogen spreken — en dat kwam vaak voor — de meerderheid der Kamer niet licht zoo weinig inschikkelijk zou zijn om het verlof daartoe te weigeren (Vgl. zitting 1873—74, bijl. 19, n°. 4, ad art. 52). Zoo kwam het, dat het voorschrift niet voldoende effect had en dat de Kamer in 1874 weer den vorigen toestand herstelde en de tegenwoordige bepaling vaststelde.

Verlof tot het spreken voor de derde maal, komt zeer vaak voor. Het is ook wel eens geweigerd (Hand. 1850—51, blz. 1233) en ook is het voorgekomen, dat de Voorzitter geen vrijheid vond om voor te stellen voor de derde maal het woord aan een spreker te verkenen en den spreker in overweging gaf daartoe dan zelf verlof te vragen, waarop deze van het woord afzag (Hand. 1920—21, blz. 2860).

285

Sluiten