Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 84. Kamer waren. In de zitting 1839—40 bijv. de heer jhr. mr.

G. Beelaerts van Blokland, Minister van Financiën. Hij zag in de vergadering van 23 December 1839 zijne begrooting verworpen met algemeene stemmen op één na, nl. die van hem zelf. In de zitting 1849—50 was de heer mr. J. A. Mutsaers Kamerlid en Minister van R.-K. Eeredienst; in 1877—78 was het lid der Kamer J. K. H. de Roo van Alderwerelt tevens Minister van Oorlog en de heeren mr. H. Goeman Borgesius en dr. C. Lely waren gedurende de zittingen 1897—98 tot en met 1900—1 Kamerlid en Minister (resp. van Binnenlandsche Zaken en van Waterstaat).

Ministers-Kamerleden behouden in de vergaderzaal hunne zitplaats als lid, opdat zij daarvan gebruik kunnen maken, indien zij als Kamerlid willen spreken. In de Hand. van 27 April 1849 vindt men in eene rede van het KamerlidMinister Mutsaers bij dezen zin: „en nu zal ik de eer hebben in mijne betrekking als lid dezer vergadering een amendement voor te dragen", deze aanteekening geplaatst: „hier gaat de Minister van de ministerstafel, van waar hij gesproken had, naar zijn plaats in de banken der leden.'

Regeeringscommissarissen. De bepaling, dat de Koning aan bijzondere door Hem aangewezen commissarissen kan opdragen de Ministers bij het behandelen van wetsontwerpen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan, werd in 1887 in de Grondwet gebracht (thans art. 111).

Commissarissen „van 's Konings wege" waren vóór 1848 meermalen in de Tweede Kamer opgetreden ter verdediging van wetsontwerpen, hetzij gezamenlijk met Ministers, hetzij alleen, wegens ongesteldheid van Ministers, nl.: leden van den Raad van State (Vgl. Hand. 1817—18, blz. 43; Hand. 1819—20, blz. 44; Hand. 1828—29, blz. 546); administrateurs der belastingen (Vgl. Hand. 1826—27, blz. 377; Hand. 1827—28, blz. 272); Staatsraden (Borret en de Jonge van Campens-Nieuwland; deze laatste was ook lid der Kamer) (Hand. 1840—41, blz. 171, 182, 187 en 191). In de reglementen van orde, van 1842 af, treft men dan ook, hoewel de Grondwetten van commissarissen niet spreken, steeds bepalingen aan omtrent het voeren van het woord door dezen en omtrent hunne plaats in de vergadering.

300

Sluiten