Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 95. met de bedoeling van de eerste alinea van art. 96 werd later, o. a. op 9 November 1911 (Hand. 1911—12, blz. 548) een amendement behandeld, hoewel de voorsteller afwezig was.

Ad II. Grenzen van het recht van amendement. Bij art. 113 der Grondwet is aan de Kamer het recht toegekend wijzigingen in voorstellen des Konings te maken, terwijl der Kamer daarnevens bij artt. 117 en 118 der Grondwet het recht tot het doen van eigen voorstellen is verleend.

De Grondwet onderscheidt dus tusschen het recht om wijzigingen in voorstellen te maken en het recht om zelfstandige voorstellen te doen, en schrijft ook voor de laatste de wijze van behandeling (als van voorstellen des Konings) voor. De bevoegdheid tot het aanbrengen van wijzigingen is in de Grondwet niet beperkt; alle wijzigingen, zoowel van ingrijpenden als van eenvoudigen aard, kunnen worden aangebracht. Maar hoever het begrip „wijziging" gaat en wanneer een voorstel niet als zoodanig, maar als zelfstandig voorstel moet worden beschouwd, is niet nader omschreven. Daarover heeft de Kamer zelve te beslissen. Waar nu de grens tusschen wijziging van een voorstel en zelfstandig voorstel ligt, die vraag is voor verschillende beantwoording vatbaar.l) Dat antwoord hangt af van de opvatting, welke de Kamer van het begrip „wijziging" heeft, en in die opvatting ligt de eenige beperking van het recht van amendement. Eene ruime of enge opvatting zal de grens van dat recht uitzetten of inkrimpen. Wat de juiste

1) Over het recht van initiatief en het recht van amendement: vgl. de rede van mr. LOEJF, Hand. 1906—7, blz. 1881.

De heer LOEFF zeide van amendementen-LlMBURG op het wetsontwerp Vaderschap, dat het stelsel in het ontwerp neergelegd, vierkant stond tegenover het stelsel der amendementen. Amendementen moeten volgens de Grondwet zijn wijzigingen in een voorstel. Wanneer er nu volgens dien grondwettelijken maatstaf iets is, dat niet behoort tot het recht van amendement, dan is het stellig dit, dat men niet voorstelt wijzigingen in een voorstel, maar dat men voor het eene voorstel een ander voorstel in de plaats stelt.

Vgl. voorts de redevoeringen van de heeren HEEMSKERK en RoËLL, waarin verschillende antecedenten zijn vermeld: Hand. 1904—5, blz. 1701—1703 en Hand. 1906—7, blz. 1879, benevens de redevoeringen van den Voorzitter en van den Minister van Binnenlandsche Zaken: Hand. 1913—14, blz. 2111—2116.

314

Sluiten