Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikel te plaatsen, houdende intrekking van het Keizerlijk Decreet Art. 95. van 2 November 1810, met de bedoeling dat de dan daarna volgende artikelen zouden worden verworpen, ten einde de geheele materie, die bij het wetsontwerp werd geregeld, ongeregeld te laten.

Het amendement werd aangenomen; dientengevolge werd het wetsontwerp ingetrokken. Hand. 1876 77, blz. 1266—9.

XVI. 19 April 1893 kwamen in behandeling de artikelen van bet ontwerp-Faillissementswet.

De heer Levy had als amendement voorgesteld een nieuwen eersten titel aan het wetsontwerp toe te voegen betrekkelijk homologatie van akkoord buiten faillietverklaring.

De Voorzitter wenschte aan de beslissing der Kamer de vraag te onderwerpen of dit voorstel als amendement kon worden toegelaten. Bij de discussie bleken velen de opvatting toegedaan, dat bij het wetsontwerp de geheele toestand van iemand, die zijne schulden niet kan betalen, moest geacht worden aan de orde te zijn, en de Kamer besloot dan ook tot toelating als amendement. Hand. 1892—93, blz. 1017—1020. Vgl. ook 1893—94, blz. 738.

XVII. 9 Mei 1900 werd bij de behandeling van een amendement Pyttersen op art. 1 der Boterwet (1899—1900, 17) door een der leden betoogd, dat het amendement ging buiten het kader der Wet (beoogende het tegengaan van knoeierijen bij den boierhandel), daar het amendement strekte tot het tegengaan van knoeierijen met margarine. Eene poging om het amendement te weren werd echter niet gedaan,

maar het werd verworpen met 56 stemmen tegen 1. Hand. 1899 1900

blz. 1459.

XVIII. 29 Mei 1907 werd op het wetsontwerp op het Vaderschap, waarin de geldelijke verplichtingen, voortvloeiende uit het feit der verwekking van kinderen buiten huwelijk, werden geregeld, door den heer Limburg een amendement voorgesteld om te regelen de civielrechtelijke gevolgen van de verwekking van kinderen buiten huwelijk en den staat der onwettige kinderen. Een voorstel van een der leden om dit amendement niet als zoodanig toe te laten, als vallende buiten het kader der voorgestelde regeling, werd verworpen. Hand. 1906—7 blz. 1878—1885.

XIX. 7 Juni 1911. Een amendement Troelstra op het wetsontwerp tot vaststelling eener eedsformule (1910—11, bijl. 138) strekte om den eed öf facultatief te stellen öf geheel af te schaffen. Om utiliteitsredenen bleef de quaestie van de toelaatbaarheid buiten bespreking en werd het amendement behandeld. De Voorzitter zeide echter, dat door dit geval geen antecedent werd geschapen, waarop men zich later zou mogen beroepen. Hand. 1910—11, blz. 2210 1.

XX. 12 Maart 1912 werd behandeld een amendement-Ankerman c. s. op het wetsontwerp tot vergelding met pensioen van zijdelings aan den Staat bewezen diensten. Het amendement handelde over tijdelijke rechtstreeksche diensten. De Voorzitter meende geen voorstel tot niet toelating te moeten doen, aangezien er z. i. tusschen een en ander groot verband bestond, en de Kamer ging met de opvatting van den Voorzitter mede. Hand. 1911—12, blz. 1870.

319

Sluiten