Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 95. XXXVI. 12 April 1905 kwam aan de orde een amendement van de

heeren Röell en Bos tot wijziging van art. 22 der Lager-onderwijswet. Het strekte om eene nadere bepaling te maken omtrent de wijze waarop godsdienstonderwijs op de openbare school zou kunnen worden gegeven en viel, volgens den Voorzitter, buiten het kader van het aanhangige wetsontwerp. Dit strekte tot herziening van eenige artikelen der Lageronderwijswet en tot aanvulling der wet tot regeling van de financieele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten en beoogde regeling van de bijdragen uit 's Rijks schatkist voor het lager onderwijs (Bij de discussie over de al of niet toelating zijn door den heer Röell verschillende antecedenten van toegelaten amendementen aangehaald). De Kamer besloot het amendement niet toe te laten. Hand. 1904—5, blz. 1701—3.

Amendementen op dit wetsontwerp voorgesteld door de heeren Ketelaar en Bos en van de heeren Smeenge en Tydeman, betreffende de regeling van het aantal onderwijzers, werden wel toegelaten. De Voorzitter achtte verband tusschen grootere bijdrage en meer personeel der scholen aanwezig, daar men dit laatste kon stellen als eisch voor het eerste, en deed geen voorstel tot niet-toelating van deze amendementen. Een iets verder in die richting gaand amendement van den heer van der Zwaag c. s. werd evenwel niet toegelaten. Hand. 1904—5, blz. 1703—1704.

XXXVII. 31 Mei 1910 werd op voorstel des Voorzitters besloten een amendement van den heer ter Laan op art. 16 van het wetsontwerp tot wijziging der Lager-onderwijswet niet als zoodanig toe te laten. Het amendement betrof de oprichting van nieuwe scholen, terwijl het wetsontwerp alleen betrof de subsidieering van de scholen voor m.u.l.o. De Minister Heemskerk was tegen de toelating, wat bleek uit de bewoordingen, waarmede hij te kennen gaf zich niet in de discussie te zullen mengen. Hij zeide, dat hij te dezer zake alleen zou hebben gesproken, wanneer hij er prijs op had gesteld te zeggen, dat het amendement wel in het kader van het wetsontwerp paste. Hand. 1909—10, blz. 1864—5.

TOEGELATEN AMENDEMENTEN.

XXXVIII. 6 Maart 1857. Een amendement van den heer Gevers Deynoot op het wetsontwerp tot wijziging der rechten op den in- en uitvoer van visch, strekkende om die rechten af te schaffen, werd met 31 tegen 30 stemmen aangenomen. In verband hiermede werd in de beweegreden in plaats van „wijziging" „afschaffing" gesteld. Hand. 1856—57, blz. 586—7. De Eerste Kamer verwierp het wetsontwerp. In dat Staatscollege werd door een der leden het gevoelen verdedigd, dat hier van het recht van initiatief, niet van dat van amendement had behooren gebruik gemaakt te worden. De Raad van State was wel over wijziging, niet over afschaffing van de rechten gehoord.l) Hand. Eerste Kamer, blz. 141 en vlg.

i) Het niet hooren van den Raad van State is ook in de Tweede Kamer meermalen aangevoerd als een argument tegen het toelaten van amendementen over punten, niet in het wetsontwerp behandeld.

324

Sluiten