Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwerp en werd op dien grond een voorstel tot niet-toelating als Art. 95. amendement gedaan (verworpen), maar in dit geval besliste meer de vorm en werd het amendement, als betrekking hebbende op een in het wetsontwerp behandeld artikel, toegelaten. Hand. 1896—97, blz. 75. . XLIX. 18 Februari 1897. Aan de orde was het wetsontwerp tot wijziging der wet houdende verdeeling der provinciën in kiesdistricten voor de Provinciale Staten. Volgens de beweegreden waren de wijzigingen noodzakelijk in verband met de • herziening van het kiesrecht.

Bij amendement werd wijziging van het district Haarlem voorgesteld. De Voorzitter maakte bezwaar het amendement, voorgesteld op anderen grond dan het voorstel der Regeering, toe te laten, als niet noodzakelijk in den zin der beweegreden. De Kamer besloot echter tot toelating. Hand. 1896—97, blz. 701—2.

L. 23 October 1900 werd door den heer Troelstra een amendement voorgesteld op het wetsontwerp tot wijziging der Kieswet, welk amendement strekte tot verlaging van den leeftijd voor kiesgerechtigdheid. Ofschoon dat punt in het wetsontwerp, welks beweegreden luidde: „dat het wenschelijk is nadere bepalingen vast te stellen tot wijziging der Kieswet", niet was opgenomen, achtte de Voorzitter geen termen aanwezig om voor te stellen het amendement niet als zoodanig toe te laten. Hij achtte eene breede herziening der Kieswet wel niet het doel van het wetsontwerp, maar moest toegeven, dat het toch meer was dan eene technische herziening, en dat ook in de memorie van antwoord was erkend, dat personen, die naar de bedoeling der wet van 1896 op het kiesrecht aanspraak mochten maken, dat recht niet deelachtig werden. Hand. 1900—1, blz. 202.

LI. 18 October 1906 werd op het wetsontwerp tot wijziging en aanvulling van de wet tot regeling der brievenposterij, strekkende volgens de beweegreden tot wijziging van het port der brieoen in het plaatselijk verkeer, toegelaten een amendement van den heer Tak c. s., beoogende ook voor briefkaarten in het plaatselijk verkeer een lager tarief vast te stellen. De Voorzitter zeide, dat bij hem, ook met het oog op de antecedenten, tegen toelating geen bezwaar bestond; zoowel regeeringsvoorstel als amendement betroffen art. 3, alinea 2 van de wet. Hand. 1906—7, blz. 150.

LIL 10 Maart 1911. Amendement-Vliegen c. s. op het wetsontwerp tot nadere regeling van de rechten van successie en van overgang bij overlijden. Dit amendement strekte om het stelsel der geldende Successiewet te vervangen door eene heffing van nalatenschappen overeenkomstig een geheel ander stelsel. Het voorstel der Regeering bracht, met behoud van het bestaande stelsel, in de uitwerking en de toepassing daarvan veranderingen. Deze zouden, bij aanneming van het amendement-Vliegen c. s. geheel te niet worden gedaan. De voorstellers van het amendement zeiven schreven in hunne toelichting tot het amendement: „dat aanneming van het amendement beteekent een verzoek aan de Regeering haar wetsontwerp in den zin van het nieuwe stelsel om te werken; groote veranderingen zouden in het wetsontwerp moeten plaats vinden, te groote om ze in bijzonderheden uit te werken". Het amendement werd toegelaten en behandeld. Hand. 1910—11, blz. 1688.

327

Sluiten