Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

VAN VOORSTELLEN, INGEVOLGE DE ARTT. 117 EN 118 DER GRONDWET TE DOEN, EN VAN HET VRAGEN VAN INLICHTINGEN AAN DE MINISTERS.

Art. 103. De Kamer kan, des goedvindende, besluiten tot het Art. 103. benoemen eener commissie van vijf leden, ten einde te overwegen, of en in welken tin omtrent een bepaald onderwerp een voorstel, op grond van de artt. 117 en 118 der Grondwet, zal worden gedaan.

De leden der Commissie worden gekozen door den Voorzitter, tenzij de Kamer anders besluite.

(Art. 81 1888; art. 73 1874, 1872, 1852; art. 70 1851; art. 90 1849; art. 85 1846; art. 82 1842.)

Voorstel om eene commissie te benoemen ten einde te overwegen of en in welken zin nopens de afkoopbaarheid en aflosbaarheid der tienden een voorstel zal worden gedaan, aangenomen. Hand. 1849, blz. 718. De benoemde commissie werd ontbonden (17 Juli 1850), voordat zij een rapport had uitgebracht.

Voorstel van den heer van Höevell om eene commissie te benoemen, als in dit artikel bedoeld, om te onderzoeken of en in welken zin een voorstel zal worden gedaan ter zake van maatregelen wegens het misbruik van sterken drank, aangenomen. Hand. 1855—56, blz. 587—594. Er werd door de afdeelingen eene commissie benoemd, die ook rapport uitbracht (Vgl. zitting 1856—57, bijl. blz. 783—791). De conclusie van het verslag der commissie was, dat er voor de Kamer geen noodzakelijkheid bestond om een bepaald voorstel te doen. De Kamer besloot om het rapport aan de hoofden van de departementen van algemeen bestuur mede te deelen (Hand. 1856—57, blz. 760—1)

Reeds in het reglement van 1815 kwam een artikel voor (art. XIII) omtrent initiatief-voorstellen van leden der Staten-Generaal (tegenwoordig art. 104). In 1842 werd in het reglement een artikel opgenomen, ongeveer gelijk aan het eerste lid van het tegenwoordige artikel 103 (Vgl. bijl. 1841—42, blz. 53).

Het recht van initiatief der Staten-Generaal is uitgesloten voor de gevallen, genoemd in de artt. 18, 66 en 125 der

365

Sluiten