Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 113, den heer Wijnkoop om een adres van antwoord op de „Openingsrede" te ontwerpen (de opening der zitting had plaats gehad door eene commissie van Ministers): Hand. 1922—23, blz. 16—19. 6. Aan den Koning aangeboden adressen van rouwbeklag: Overlijden van Koning Willem II (17 Maart 1849); van prins Maurits (4 Juni 1850); van de Koningin-Weduwe (1864—65); van Koningin Sophie (1876—77); van prins Hendrik (1878—79); van den Prins van Oranje (1878—79) ; van prins Frederik (1881—82); van de prinses douairière Albert van Pruisen, prinses der Nederlanden (1882—83); van den Prins van Oranje (1883—84); van Koning Willem III (1890—91); van de Groot-Hertogin van Saksen-WeimarEisenach (1896—97); van de Prinses-Weduwe von Wied (1909—10 *);

van gelukwensching: 2)

bij gelegenheid van de feestviering op 12 Mei 1874 (25-jarige Regeering van Koning Willem III); bij 's Konings huwelijk (1878—79); bij de geboorte eener Prinses (1879— 80 en 1908—9); bij het 25-jarig regeeringsjubileum der Koningin (Hand. 1922—23, blz. 2516).

In den loop der jaren zijn nog de volgende voorstellen gedaan tot het indienen van adressen aan den Koning:

door den heer Thorbecke, om eene commissie te benoemen tot het ontwerpen van een adres aan den Koning omtrent de afkoopbaarheid der tienden (verworpen) Hand. 1849, blz. 718;

door den heer v. d. Veen, om eene commissie te benoemen tot het ontwerpen van een adres aan den Koning

a) Het adres van rouwbeklag naar aanleiding van dit overlijden werd — met het oog op het op handen zijnde uiteengaan der Kamer — met afwijking van de bepalingen van hoofdstuk VI — staande de vergadering, volgens een door den Voorzitter voorgesteld concept, vastgesteld. Hand. 1909—10, blz. 2150.

2) Bij het huwelijk van H. M. de Koningin is geen adres aangeboden. Na de aanneming van de op het huwelijk betrekking hebbende wetsontwerpen, zeide de Voorzitter'. „Ik wensch aan de Kamer voor te stellen mij te machtigen om voor de Kamer eerbiedig te verzoeken, de eer te mogen hebben in audiëntie bij H. M. de Koningin te worden toegelaten, bij gelegenheid van Hoogstdezelver huwelijk. (Hand. 1900—1, blz. 928). De Kamer werd en corps ontvangen te Amsterdam.

378

Sluiten