Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 129-131. Art, 129. Indien ook bij deze stemming door niemand de volstrekte meerderheid van stemmen verkregen is, heeft er eene derde stemming plaats over de vier personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich vereenigd hebben.

(Art. 106 1888; art. 97 1874, 1872, 1852; art. 94 1851; art. 50 1849; art. 51 1846; art. 50 1842.)

Vgl. o. a. Hand. 1920—21, blz. 37; Hand. 1923—24, blz. 326; Hand. 1924—25, blz. 1429.

Art. 130. Wanneer dan ook nog geene volstrekte meerderheid van stemmen verkregen is, heeft er eene vierde stemming plaats over de twee personen, die bij de derde stemming de meeste stemmen op zich hebben vereenigd.

(Art. 107 1888; art. 98 1874, 1872, 1852; art. 95 1851; art. 51 1849; art. 52 1846; art. 51 1842.)

Vgl. o. a. Hand. 1920—21, blz. 37; Hand. 1923—24, blz. 326; Hand. 1924—25, blz. 1429.

Art. 131. Indien het bij de tweede of derde stemming niet uitgemaakt is, tusschen wie er moet overgestemd worden, heeft er nog eene vooraigaande stemming over de betrokken personen plaats.

(Art. 108 1888; art. 99 1874, 1872, 1852; art. 96 1851; art. 52 1849; art. 53 1846; art. 52 1842.)

Vgl. o. a. Hand. 1923—24, blz. 326; Hand. 1924—25, blz. 1429.

In verband met art. 108 der Grondwet, wordt ook bij eene tusschenstemming, welke meer dan 2 personen betreft, geëischt, dat één dezer de volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen verkrijgt (Vgl. o. a. Hand. 1901—2, blz. 70; Hand. 1924—25, blz. 1429). Vroeger jaren is het wel voorgekomen, dat bij eene tusschenstenmiing het verkrijgen van de meeste stemmen voldoende werd geacht. Vgl. Hand. 1853—54, blz. 252.

Tot het jaar 1872 stond aan het slot van dit artikel, dat, wanneer de betrokken personen leden der Kamer waren, zij mondeling konden verklaren afstand te doen van hun recht om in de voorafgaande stemming begrepen te worden. Op grond van deze bepaling is het meermalen voorgekomen, dat leden deze verklaring aflegden

386

Sluiten