Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1876—77. Omtrent de besmettelijke longziekte onder het Artt. 148-151. rundvee. Zitting 1875—76, bijl. n°. 214; 1876—77, bijl. n°. 21, Hand. blz. 1253—6; 1877—78, bijl. n°. 35, Hand. blz. 489—502.

1880—81. Omtrent de exploitatie der Nederlandsehe spoorwegen. Zitting 1880—81, bijl. n°. 112; Hand. blz. 1757, 1761; 1882—83, bijl. n°. 76; Hand. 1883—84, blz. 1350.

1886—87. Betreffende de werking der wet van 19 September 1874 {Staatsblad n°. 130) en naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen. Zitting 1885—86, bijl. n°. 48; 1886—87, bijl. nos. 26 en 105, Hand. blz. 72—80.

Een Md der Kamer vraagt aan eenige medeleden het initiatief te nemen tot het instellen eener parlementaire enquête naar zijne gedragingen in verband met eene separatistische beweging in Limburg: Hand. 1918—19, blz. 832.

Art. 149. Het voorstel bevat eene nauwkeurige omschrijving van net onderwerp des onderzoeks en, zoo mogelijk, de namen van getuigen of deskundigen. Het is, buiten het geval van de laatste zinsnede des vorigen artikels, vergezeld van eene memorie van toelichting. Op deze stukken is art. 107 van toepassing.

(Art. 124 1888; art. 117 1874, 1872; art. 118 1852; art. 115 1851.)

Art. 150. Zij worden aan de afdeelingen van het tijdvak, gedurende hetwelk zij inkomen, verzonden, alwaar omtrent het voorstel op gelijke wijze wordt gehandeld, als omtrent de voorstellen, door den Koning ingezonden, bij de artt. 20 tot en met 36 is bepaald, met dien verstande, dat hetgeen bij art. 33 omtrent het overleg met de Ministers is bepaald, in dit geval toepasselijk wordt op het overleg met de voorstellers.

Op de beraadslaging is art. 109 van dit reglement van toepassing.

(Art. 125 1888; art. 118 1874, 1872; art. 119 1852; art. 116 1851.)

De toepasselijkverklaring van art. 109 brengt mede, dat er amendementen op het voorstel kunnen worden ingediend. Vgl. Hand. 1855—56, blz. 546—7; Hand. 1859—60, blz. 875; Hand. 1877—78, blz. 500.

. -V4' 15*- Wanneer de Kamer tot het instellen van het onderzoek besluit, bepaalt zij het getal leden, waaruit de Commissie van Onderzoek zal bestaan en het getal leden, dat ten minste tot de afneming der verhooren wordt vereischt. De leden der Commissie worden gekozen door den Voorzitter, tenzij de Kamer anders besluite.

In geval van uitbreiding, aanvulling of vervanging van haar personeel geschiedt de benoeming door den Voorzitter der Kamer.

26

401

Sluiten