Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

de gewapende strijdkrachten in het geding zijn gebracht, hetzij dan om een verdragschender tot rede te brengen, beteekent dit ten slotte oorlog tussehen twee partijen. Wanneer dan Nederland, zooals het verplicht zoude zijn, den doortocht van de strijdkrachten van de eene partij over zijn gebied toelaat, werpt het een der grondbeginselen van de neutraliteit overboord. De op deze wijze benadeelde partij zal niet nalaten, de noodige gevolgtrekkingen te maken,-zal Nederland indeelen bij het vijandelijke kamp en, wat juist had moeten worden voorkomen: „wij zitten mede in het conflict".

Wij zouden dan alzoo in minder gunstigen toestand komen dan in 1914 toen de aanwezigheid van eene parate weermacht elke gebiedsschending heeft voorkomen en Nederland buiten den oorlog heeft gehouden.

Het kan dan ook niet verwonderen dat de neiging om aan de toepassing van de sancties, ook de economische, mede te doen, niet bij eiken staat onder alle omstandigheden steeds in voldoende mate aanwezig zal zijn. Eenige resoluties, aangenomen op de in 1921 gehouden Algemeene Vergadering van de Leden van den Volkenbond stellen dan ook vast, dat, hoewel de algemeene verplichting, neergelegd in het Verdrag, bestaat, ieder der Leden toch steeds vrij blijft in zijn oordeel of de toepassing der sancties, ook de economische, al dan niet gerechtvaardigd is (*). Dit beteekent dus, dat het aannemen en bewaren van eene neutrale houding ook thans nog niet uitgesloten is.

Alles^tezamen genomen kan als conclusie worden gezegd, dat hoewel het Verdrag van den Volkenbond op zichzelve is te beschouwen als een belangrijke schrede vooruit op den weg naar den wereldvrede, dit verdrag voor een lid nog niet voldoende houvast geeft om aan dat lidmaatschap reeds nu zijn bestaansbelangen geheel ondergeschikt te maken. De kapstok is inderdaad nog niet stevig genoeg.

Het Verdrag erkent in zekeren zin zelfs nog een recht tot oorlogvoeren (art. 12 en Art. 15, zevende lid).

Men heeft deze bezwaren ernstig gevoeld en getracht, de bepalingen van het Verdrag zoodanig te wijzigen en aan te vullen, dat het misdadig karakter van het gewapenderhand zich recht verschaffen meer aan de kaak zoude worden gesteld, dat de preventieve werking — waarom het ten slotte uitsluitend te doen is — zoude worden verhoogd.

(') Zie ook van der Mandere, Het Protocol van Genêve, blz. 10.

Sluiten