Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXII

ware geweest althans bepalingen van aanvullend recht op te nemen ten aanzien van de verdeeling der baten ingeval van liquidatie. De meeste statuten zwijgen over deze quaestie, wellicht omdat deze zich in de practijk niet zooveel heeft voorgedaan; een coöperatieve vereeniging bedoelt doorgaans geen onderneming van tijdelijken aard. Bestaan er geen bepalingen daaromtrent dan zal, daar de coöperatieve vereeniging een vereeniging van personen is, het 't meest in overeenstemming met haar karakter zijn, de verdeeling van het batig saldo, na terugbetaling der inleggelden, in gelijke deelen te doen plaats hebben. Er zouden echter termen kunnen zijn bij de verdeeling rekening te houden met den omvang, waarin de leden, bijv. gedurende de laatste tien jaren, met de vereeniging overeenkomstig haar doel hebben samengewerkt, of zelfs, indien de inleggelden ongelijk zijn en deze geen vaste vergoeding genoten, het saldo te verdeelen in verhouding tot de inleggelden. Door opneming eener bepaling in de wet had een bron van quaesties in de toekomst kunnen worden weggenomen, omdat daarin voor de belanghebbenden een aanwijziging zou zijn gegeven, zich vooraf ook van deze aangelegenheid rekenschap te geven en die volgens eigen opvattingen te regelen.

Ten aanzien van de resteerende bepalingen kunnen wij kort zijn.

De artikelen 37 en 38 bevatten strafbepalingen. Het eerste is gericht tegen den notaris, die een akte van oprichting eener coöperatieve vereeniging zou verlijden, terwijl de statuten niet voldeden aan de eischen gesteld in artikel 3 en artikel 5, tweede lid.

Het tweede dreigt straf tegen de bestuurders van een coöperatieve vereeniging, die hun door de wet voorgeschreven verplichtingen ten aanzien van de ledenboekhouding en de nederlegging van de ledenlijst en de goedgekeurde rekening en verantwoording bij het Handelsregister niet nakomen.

Art. 39 brengt eenige wijzigingen in de Handelsregisterwet 1918, welke in verband met de nieuw voorgestelde

Sluiten