Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIII

regelingen noodig zijn, terwijl art. 40 bepaalt, dat de datum van inwerkingtreding der wet nader bij Koninklijk besluit zal worden vastgesteld.

Van belang is slechts de overgangsbepaling, die niet alleen vaststelt, dat coöperatieve vereenigingen, opgericht vóór de mwerkmgtreding der nieuwe voorschriften, na die inwerkingtreding door de nieuwe wet zullen worden beheerscht en een tweetal termijnen bepaalt, waarbinnen verplichtingen ten aanzien van het Handelsregister, die daaruit voortvloeien, moeten worden nagekomen, maar ook een wettig bestaan verzekert aan vereenigingen, die volgens de wet van 1876 als nietig zouden kunnen worden beschouwd.

Met het oog op de rechtszekerheid is deze oplossing voorzeker de meest bevredigende, daar hierdoor geen derden te goeder trouw, die met een vereeniging, waarvan het rechtsgeldig bestaan wellicht op goede gronden zou kunnen worden betwist, in contact zijn getreden, kunnen worden benadeeld. Het schijnt ook de eenig mogelijke, omdat door een wijziging der statuten, welke de vereeniging alsnog in overeenstemming zou brengen met de wettelijke vereischten, wel rechtspersoordjjkheid voor haar zou kunnen worden verkregen, maar terugwerkende kracht zou zijn uitgesloten.

De bovenstaande uiteenzetting samenvattende zou men het kenmerkende verschil tusschen de wet van 1876 en die van 1925 aldus kunnen weergeven, dat terwijl de wet van 1876 enkele voorschriften van openbare orde bevatte, zij zich in het algemeen ervan onthield om zelf regelend op te treden ten aanzien van de inwendige inrichting der coöperatieve vereenigingen; zij bepaalde zich er toe op straffe van nietigheid aan de oprichters voor te schrijven welke punten zij bij hare inrichting hadden te regelen. De wet van 1925 daarentegen bemoeit zich wel degelijk ook met de inwendige inrichting, het zij dan dat zij daaromtrent voorschriften geeft van dwingend recht, het zij die voorschriften een aanvullend karakter dragen en aan belanghebbenden de

ui

Sluiten