Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3

Art. 1.

belemmering zij tegen het ontstaan en de ontwikkeling van nieuwe vormen der associatie ....

„Van den anderen kant mag de aanwijzingvan dehoofdkategorieën die tot dusver bestaan, niet ontbreken. Als zoodanig liggen voor de hand:

de productie-vereenigingen;

de consumptie-vereenigingen;

de crediet- of voorschotvereenigingen." V. C. v. R. (1876) § 36.

Tweede lid.

Derden.

6. De Minister opperde de vraag, of het wel noodig was demogelijkheid eener operatie met derden in het artikel op te nemen. Is de uitoefening van nering of ambacht, is het aanschaffen van benoodigdheden denkbaar, zonder in aanraking te komen met derden?

En zou niet datgene wat onnoodig is, aanleiding kunnen geven tot misverstand ?" , „De Commissie wees op de gronden reeds in het verslag ontwikkeld waar wij lezen: „de ondervinding leert, dat het wenschelijk is deze bijvoeging in de definitie op te nemen."

Men herinnerde hierbij, dat toen in Duitschland door de rechterlijke colleges aan de woorden: „ihrer Mitglieder" herhaaldelijk in het hoogste ressort de beteekenis werd gegeven, dat „den Genossenschaften der Geschaftsverkehr mit Nichtmitgliedern" verboden was, eene wet van 19 Mei 1871, ter verduidelijking van § 1 der oorspronkelijke wet werd uitgevaardigd. Die aanvullingswet hield in. dat de vereenigingen, bedoeld in § 1 der wet van 1868, het karakter van Genossenschaften niet verliezen, wanneer de statuten veroorloven het „Gescbaftsbetrieb" uit te breiden tot personen, die geene leden zijn." V. C. v. R. (1876) V jto § 3 c.

7. Noch indien zij naast stoffelijke ook andere belangen behartigt.

„Het komt dikwijls voor, dat eene coöperatieve vereeniging door en voor politiek of godsdienstig gelijkgezinden wordt opgericht en dan ook wordt dienstbaar gemaakt aan de bevordering der belangen van de partij of gezindte, waartoe de leden behooren. Er is geen grond om aan te nemen, dat in dat geval de vereeniging haar coöperatief karakter zou verliezen. Om dit buiten twijfel te stellen, is de laatste zinsnede van het tweede lid in artikel 1 opgenomen." M. v. T.

Jurisprudentie.

8. In strijd met art. 2 (1876) is de volgende bepaling:

„Het lidmaatschap eindigt door opzegging, mits 3 maand vóór den afloop van het dienstjaar aan het bestuur schriftelijk kennis

Sluiten