Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

Art. 25.

voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen, ten kantore der vereeniging nederleggen, ter inzage voor ieder lid tot na afloop der vergadering. Bij gebreke daarvan kan over het voorstel niet wettighjk worden besloten, wanneer ten minste een tiende der ter vergadering aanwezige leden zich tegen de behandeling verzet.

Eerste lid.

1. „Dit artikel was door de Commissie niet voorgesteld. Echter schijnt een enkel voorschrift over de formeele eischen voor statutenwijziging wel wenschelijk,cwanneer men bedenkt, dat die wijziging ook meer gewichtige belangen kan betreffen (arrest van den Hoogen Raad van 29 November 1923, Weekblad van het Recht n°. 11147: verhooging van inleggelden: de Hooge Raad toetst het al of niet toelaatbare van eene wijziging aan de goede trouw)." M. v. T.

2. „De beginselen van de artikelen 1374 en 1375 van het Burgerlijk Wetboek beheerschen ook het vereenigingsrecht. Het ware verkeerd die beginselen voor de coöperatieve vereenigingen prijs te geven. Indien niet ware aan te nemen, dat die beginselen reeds gelden zonder dat zij in de wet op de coöperatieve vereenigingen uitdrukkelijk zijn vermeld, zou er aanleiding kunnen zijn voor de opneming in dit wetsontwerp. Thans is dit niet noodig. Belanghebbenden zullen ook op dit gebied gebonden zijn aan wat het recht, de redelijkheid en de billijkheid medebrengen; aan niet meer en niet minder. Eene meer gedetailleerde regeling bij de wet zoude juist mank gaan aan het euvel, dat bij toepassing in concrete de redelijkheid en billijkheid in het gedrang blijken te komen. Daarom onthoude de wetgever zich in abstracte aan te geven welke statutenwijzigingen wèl en welke niet geoorloofd zijn. M. v. A.

Tweede lid.

3. Voorkomen moet worden, dat de leden (of ledenraad) door eene statutenwijziging zouden kunnen worden overvallen. Men moet van te voren van het voorstel tot wijziging kennis kunnen nemen. Dank zij den laatsten zin van het artikel, zal op het niet ter-visieleggen niet achteraf een beroep kunnen worden gedaan om de nietigheid van eene wijziging te beweren." M. v. T.

4. „Een vetorecht voor niet aangekondigde amendementen komt niet gewenscht voor, indien daarmede althans iets meer wordt bedoeld dan de bevoegdheid van de vergadering om te besluiten het amendement, als zijnde te ingrijpend, niet in behandeling te nemen. Ging men verder en werd in de wet bepaald b. v. dat één

Sluiten