Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

haar beschouwingen rekening mee te houden. Maar in haar konklusies komt toch het oude vooroordeel tegen taalstudie weer boven.

Taalstudie is voor de Commissie een hulpmiddel, een hulpvak dat bestudeerd moet worden met een ander en meer belangrijk doel voor ogen, als „a means to an end". In dit opzicht mag zij geacht worden de opvatting te vertegenwoordigen van de doorsnee beschaafde Engelsman. Prof. Chambers, die *t weten kan, drukt zich daaromtrent aldus uit: „Englishmen suspect the study of language, be it their own or a foreign one, unless some practical and harmiess motive can be shown. If a man wants a job as a correspondence clerk, it is reasonable to study language. But to study language for the love of it, is to be a philologist. Now there is a close time for salmon, nor must the grouse be shot out of season, but since the days of Jack Cade the philologist has always been fair game in England: „It will be proved to thy face that thou hast men about thee that usually talk of a noun and a verb, and such abominable words as no Christian ear can endure to hear."1)

Het idee dat men taalstudie eerst dan gerechtvaardigd kan achten wanneer praktiese en tastbare resultaten erdoor bereikt worden, komt op merkwaardige wijze tot uiting in het Rapport, waar de Commissie er op wijst, dat zelfs van de studie van het Sanskrit nog wel iets goeds te zeggen valt. De passage, die handelt over The Science of Language, luidt aldus:

„lts importance when viewed as a science should not be judged by the comparatively small number of its students or by its lack of popular appeal. As with other sciences it has had unforeseen practical reactions. The discovery during the last century of the relationship, however remote, between English and Sanskrit is a fact not without significance in our social and political relations with our Indian fellow subjects." s)

Sir Sidney Lee heeft in 1913 de plaats van taalstudie als universitair leervak als volgt omschreven:

J) R. W. Chambers, Concerning certain great Teachers of the English Language, London, 1923, blz. 8. De aanhaling is uit Shakespeare, King Henry VI, Part. II, Act IV, Sc. VII.

2) Report, blz. 221.

Sluiten