Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landsche Landschappen". Tenslotte wijzen we nog op het artikel „Celebes", in den laatsten druk van de „Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië".

In 1919 werd Schuiling samen met den heer J. IJzerman door het bestuur van het Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap belast met het uitbrengen van een „Rapport over een doctoraat in de aardrijkskunde, naar aanleiding van de voorstellen der Senaten van de Universiteiten te Utrecht en te Amsterdam". Terecht wordt in dit rapport erop gewezen, dat de splitsing in twee van den aanvang af verschillende studierichtingen, geheel ongeografisch is. Dit kon niet zijn in het belang der aardrijkskunde als wetenschap, en evenmin in het belang van den toekomstigen docent, die het schoolvak aardrijkskunde zou hebben te onderwijzen.

De rapporteurs stelden tegenover deze voorstellen een ontwerp van een uniforme regeling, niet alleen voor de candidaatsstudie, maar ook voor de doctorale studie. Het „Academisch Statuut", dat eindelijk definitief het studie- en examenprogram regelde, heeft de voorstellen der Senaten grootendeels daarbij overgenomen. Het heeft wel de geografische faculteit gevormd, door de instelling van de Vereenigde Faculteiten, maar een „normale" aardrijkskundige studie is niet anders mogelijk gemaakt, dan op straffe van verlies van onderwijsbevoegdheid. Er is n.1. een „vrij doctoraat", dat geen „jus docendi" verleent.

Met het naderen van zijn levensavond heeft Schuiling noode verschillende functies op onderwijsgebied neergelegd.

Van de Middelbare Meisjesschool te Deventer nam hij afscheid in 1919, op 65-jarigen leeftijd; in aansluiting met zijn kweekschoolperiode, werd hem hiervoor pensioen verleend. Maar onverzwakt bleef hij nog op zijn post aan de Rijks Hoogere Burgerschool en het Gymnasium. De eerste heeft hij op 1 Januari 1924 verlaten; van het Gymnasium nam hij afscheid aan het einde van den cursus in Juli 1924. — In dien tusschentijd vierde hij zijn 70sten jaardag.

Weer kwamen zijn vrienden — thans echter in het bijzonder zij, die als geograaf met den meester in aanraking waren geweest, hetzij als oudleerling, hetzij als collega, dan wel op wetenschappelijk terrein — te Utrecht bijeen: op Hemelvaartsdag, den 29 Mei, twee dagen nadat de jubilaris op den jaardag zelf verrast werd met een stroom van gelukwenschen.

Het was een feestelijke bijeenkomst van den Geografischen Kring, in het Geografisch Instituut te Utrecht. Als eenig punt op de agenda stond een voordracht van den heer Schuiling zelf: Een en ander over Westfalen. Na een hartelijke toespraak van den Voorzitter, Prof. Dr. K. Oestreich, waarin deze de groote verdiensten van den jubilaris schetste, werd het woord ver-

13

13

Sluiten