Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STUDIE DER BODEMSOORTEN EN HAAR BETEEKENIS VOOR DE AARDRIJKSKUNDE

DOOR Prof. J. VAN BAREN.

I.

In de inleiding tot zijn bekend Handboek der Aardrijkskunde van Nederland" (le druk 1884; 5e druk 1914) heeft R. Schuil ing, de auteur van dat werk, een zinsnede neergeschreven, die mij sinds de dertig jaren, dat ik dit werk raadpleeg, steeds en altijd is bijgebleven, een zin, dien ik hier afschrijf en die tot motto kan dienen voor de beschouwingen, in de hier volgende bijdrage vervat. ,J>e aard van den bodem is de diepstliggende oorzaak van het verschillend voorkomen der afzonderlijke landschappen van ons vaderland", aldus de zin, die in 1884 neergeschreven, tot den huidigen dag er terecht is blijven staan.

Met dezen zin van den toenmaals dertigjarigen leeraar werd voor de aardrijkskundige beschrijving en het aardrijkskundig onderwijs in ons land een nieuw tijdperk ingeluid. De zin zelf was de eindconclusie van een dieper nadenken over de dingen rondom ons, een nadenken, dat Schuiling er toe bracht te zeggen, dat „de bestanddeelen van den bodem, het plantenkleed en de dierenwereld, het water, de bewoners — in nauw verband met elkander staan; dat de mensch afhankelijk is van de planten en dieren, die hem voeding en dekking verschaffen, de aard en de ontwikkeling der laatste in hooge mate afhangen van de planten, waarvan ze leven, de planten op haar beurt verschillen door den aard des bodems, waarop ze groeien".

Hadden deze gedachten, ingehamerd als zij zijn geworden in de hoofden van hen, die Schuiling tot hun wegwijzer op het veld der aardrijkskundige studie kregen of kozen, het centrum kunnen zijn van door hem te geven Hooger Onderwijs en waren zij daar uitgewerkt door zelfstandigdenkende promovendi, hoe anders zou men thans, veertig jaren nadat deze zinnen 24

24

Sluiten