Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn neergeschreven, ten onzent tegenover de studie van dien bodem staan dan dit nu het geval is.

Voorzoover de Bodem van Nederland de aandacht waardig gekeurd wordt, verdiepen de geografen zich bij voorkeur in de tektonische — en in de glaciaal-geologie; voorzoover de bodem buiten ons Vaderland in het geding gebracht wordt, is het de zoo jonge tak der geomorfologie, die naast de voor geografen nog moeilijker te omvamen tektonische geologie een groot deel van hun aandacht schijnt te vragen. Treffend, om het niet anders uit te drukken, is het dan ook dat, terwijl voor een grondige beoefening der geomorfologie nog kort geleden door een Nederlandsche geografe (Mej. Dr. Jacoba Hol) de „geologische vooropleiding als de meest gewenschte" werd beschouwd, derhalve „een grondige, natuurwetenschappelijke vooropleiding" noodig werd geacht, men studeerenden voor de acte Aardrijkskunde M. O. op een geografische excursie door onze hoogvenen hevig kon hooren discussiëeren over „dekbladen" en „alpiene overschuivingen". Onze geografen dwalen te veel en te sterk af naar de geologie, en waar zij den bodem bestudeeren, is het het gesteente met al zijn lotswisselingen in den loop der zooverre achter ons liggende tijden, hetwelk hun volle belangstelling heeft en m.i. ten onrechte.

Wat bepaalt, om één voorbeeld uit de vele te noemen, de dichtheid der bevolking in Zuid-Limburg?

Voorzoover wij er iets van weten, — meer dan algemeenheden zijn het niet, die ons hier ter beschikking staan, wijl dit zoo echt-geografische studieonderwerp buiten onze belangstelling staat, — lezen wij bij Schuiling, dat „in overeenstemming met de veel grootere vruchtbaarheid van den bodem, de bevolkingsdichtheid in Zuid-Limburg (buiten het industriegebied) zelfs ver boven de 100 inwoners per K.M.' stijgt."

Wat verstaat men nu onder dit veel ge- en misbruikte woord vruchtbaarheid? En waardoor is de löss zoo vruchtbaar? En is deze eigenschap erfelijk verworven of tijdelijk verkregen? Is zij voor wijziging ten goede of ten kwade vatbaar? En zoo ja, welken invloed zal deze wijziging dan hebben op de bevolkingsdichtheid? En zoo die invloed een ongunstige mocht zijn, zal dat dan tengevolge hebben, dat de landbouw als bestaansmiddel van zijn beteekenis beroofd wordt, om door een andere tak van volkswelvaart verdrongen te worden? Welk verband bestaat er tusschen de ligging der nederzettingen en den aard van den bodem? Men leert ons wel en schoolkaarten maken ons wel wijs, dat geheel Zuid-Limburg één lössdek is (vruchtbaar wordt er dan meestal bijgevoegd), maar, wie het land uit aanschouwing kent, weet beter.

25

25

Sluiten