Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is deze cultuurvorm dezelfde. Het woud verdwijnt door brand — enkele jaren geeft de grond een matige oogst — dan verdwijnt weer de tijdelijke nederzetting. Wegtrekken, uitwijken, dat was de leus van wie gedwongen waren altijd en weer den cultuurbodem op het woud te veroveren.

Steppen en savannen bezitten een bodem, die nu eens staat onder invloed van een overrijken regenval, dan weer onder dien van een te groote droogte, en hun bewoner werd, kon niet anders worden dan herder, die nergens zich bestendig neerzette, maar altijd van oord tot oord trok, zijn kudde volgend daar, waar deze water en voedsel vond.

Dit voorzoover de sociografische zijde der Aardrijkskunde betreft. Thans nog een voorbeeld, dat de fysiografische zijde raakt. Bekend is de typische verweeringsfiguur, de karakteristieke honingraatstructuur van den zandsteen van de „Sachsische", de „Luxemburgische Schweiz" en ook uit den Rijnpalts en van den kalksteen van den St. Pietersberg vermeld. Door geografen aangezien voor verweeringsverschijnselen, ontstaan onder invloed van een woestijnklimaat, toonde nauwkeurig onderzoek èn van de verweeringslaag èn van de zout-uitbloeiingen in de holten aan, dat men hier te doen had met scheikundige werkingen van in het gesteente circuleerende, zwavelzure oplossingen, ontstaan uit de verrotting van den plantenafval, die het gesteente bedekte. De petrografische gesteldheid van dit laatste was de grondfactor, en de verweering aanleiding tot het doen ontstaan van een z.g. pseuc/o-klimatologisch verschijnsel.

Zoo zien wij bij een vluchtigen blik over de geheele aarde, hoe innig waar en opmerkelijk juist is, wat aan den aanvang dezer beschouwing gezegd werd, dat de bodem, de grondsoort, de vleezige massa is, met zenuwen en spieren bedeeld, die het geraamte der aarde omkleedt, het omhulsel vormt van wat E. Suess eenmaal „das Antlitz" noemde, een omhulsel, hetwelk in gestage wisselbetrekking staat tot den Mensch, de Flora, de Fauna.

Deze opperlaag geologisch te onderzoeken, het is de taak van den agrogeoloog; van de voornaamste resultaten van deze tak van wetenschap kennis te nemen en deze resultaten kartografisch te verwerken, die der geografie. Wie met een opmerkzaam oog op zijn wandelingen de aarde bestudeert, hij weet, dat de bodem met zijn som van eigenschappen het is, die den aard van den cultuur, den aard der bevolking, naar verspreiding en voorkomen, in eerste instantie bepaalt.

27

Sluiten