Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewerkingen van met zorg uitgekozen gedeelten des lands als nuttig konden aangemerkt worden.

XV. HONGARIJE (auteurs: G. von Laszlo en P. Treitz). De uitgestrekte stuifzandgronden en de zoo bijzonder merkwaardige zoutgronden hebben reeds vroegtijdig de belangstelling voor het onderzoek der oppervlakte in het leven geroepen, hetgeen tot uitdrukking kwam in het besluit van den Hongaarschen geologischen Dienst, de eerste internationale Conferentie voor het bespreken van bodem-vraagstukken te organiseeren (Boedapest, 1909). Bij het onderzoek van den bodem te velde heeft men daar met het systeem van de lepelboor gebroken en is men er toe overgegaan, gelijk zulks al jaren te Wageningen geschiedt, met een spade den bodem te onderzoeken, daarbij het profiel op te teekenen en de te onderzoeken monsters te verzamelen. In deze richting is men begonnen allereerst de omgeving der 11 landbouw-scholen te karteeren, opdat bij het onderwijs in de bodemkunde de leerlingen dier scholen het allereerst hiervan zouden kunnen profiteeren. Bij deze karteering wordt niet op de geologie van den ondergrond gelet, maar op de petrografische samenstelling van de bovenste 2 M., deze wordt in alle richtingen onderzocht, waarbij aan het natuurlijke plantenkleed alsmede aan het klimaat de noodige aandacht wordt geschonken. Naast de kaarten voor onderwijs-doeleinden, werkt men ook aan een systematische opneming op een schaal 1 : 75.000. Zes bladen zijn hiervan tot nu toe verschenen, alle van een uitvoerige tekst vergezeld.

Aan het slot is een beknopte beschrijving der in Hongarije voorkomende salpeter-, soda- en sulfaat gronden (= Szikgronden; siccus = droog), alle door klimatologisch-geologische oorzaken gevormd. Een bibliografie is in het rapport opgenomen.

XVI. MAROKKO (auteur: L. Gentil). De schrijver vergenoegt zich er mede een uittreksel te geven uit zijn werk: Maroco physique, waarin hij wat uitvoeriger stilstaat bij den z.g. tirsbodem, een grondsoort, die allereerst bestudeerd is geworden door den „éminent geographe allemand" Theobald Fischer, zooals Gentil hem noemt, iets, wat onzen lezers wel bekend is, maar hier toch nog wel eens met nadruk naar voren gebracht mag worden, wijl het een aardrijkskundige van groote beteekenis was, die het probleem van het ontstaan en de samenstelling der oppervlakte-laag een nader onderzoek zoo veel waard achtte, dat hij daarvoor indertijd een afzonderlijke reis ondernam. De „tirs" (welke naam niet beteekent zwarte grond, maar harde, leemige grond), houdt Gentil voor een onverplaatsten verweeringsgrond van kalksteen en aanverwante gesteenten, met welk denkbeeld ik gaarne accoord ga, nu ik de „tirs" heb kunnen onderzoeken, welke een. 34

34

Sluiten