Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

term van zeevaarders-boeren, dien ook Ameland kent, waar men zelfs een bijwoord eruit smeedde („het land leit foks").

Elk van deze 10 stukken („verdeelingen") nu valt uiteen in 28 langwerpige reepen, elk deel met zijn eigen merk (telkens op een paaltje aangegeven) en elk van deze merken komt in ieder der 10 stukken terug. Maar de onderlinge volgorde en de richting van deze 28 onderverdeelingen is niet overal dezelfde. Zoo liggen deze gemerkte reepen in verdeeling I van het Voorland (de „groote stukken", ± de zuidhelft van het Voorland) ongeveer noord-zuid, in verdeeling II van het Voorland (± de noordhelft, de „vinnen" of „akkers", niet te verwarren met de oostelijk hiervan gelegen „akkers", die als reeds gezegd, niet tot het Hooiland behooren) ongeveer oost-west, en zoo is de volgorde der 28 reepen in de verdeelingen II en III van het Achterland juist elkanders tegenbeeld.

Nevensstaand schema moge dit verduidelijken.

Aldus leert de bezichtiging van terrein en kaart.

Een Urker zou in wezen hetzelfde u vertellen in andere rangorde: Ons Hooiland is verdeeld in 28 „stammen" en elke stam vindt ge, met haar eigen merk, in de 10 „verdeelingen" terug. Precies als de West-Amelanders, over wie we nog komen te spreken, den aanloop van hun uiteenzettingen zullen nemen niet in hun „deelingen", maar in hun „eggen", „twieren" en „achtendeelen", die evenals de „stammen" van Urk ook over heel het land versnipperd liggen en met deze nóg iets gemeen hebben, waarop wel eens de aandacht vallen mag.

„Stam" doet onmiddellijk denken aan „geslacht" of, hun groote aantal in aanmerking genomen, althans aan „familie". De mark de „Landerskerk" blijkt uit stammen te zijn opgebouwd. Kan het zijn, dat wij hier een overblijfsel in splintervorm ontmoeten van de geslachten-organisaties, die oudtijds in West-Europa hebben bestaan, maar waarvan hier te lande wel heel weinig sporen meer over zijn1)? Hoe anders het woord „stam" te verklaren?

4) Ter aansporing van wie gelegenheid hebben tot nader onderzoek breng ik in dit verband een mededeeling over, die mjj al verscheidene jaren geleden collega Meyers deed over Bunschoten, waar de bevolking eertijds moet zijn ingedeeld ge» weest in drie geslachten, het Heijinge», het Oelsmans» en het Kuterlingesgeslachte. Deze geslachten worden nJ. genoemd in den brief van Frederic van Blankenheisjt van 27 Dec. 1414, afgedrukt bl. 184 v. van „De Middeleeuwsche Rechtsbronnen dér kieine steden van het Nedersticht", uitg. R. Fruin, 1903, deel III. Tot een gezet onderzoek vond ik nimmer tijd en bij een oppervlakkig, dat ik instelde, vond ik enkel dit, wat misschien er verband mee houdt, dat de schouw van den Spaken» burgerdijk volgens een regeling van 1501 door zes „landgenooten" geschiedde, waar»

47

47

Sluiten