Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over het oosten van dit eiland (de wel belangwekkende mark van Buren, die men thans bezig is te verdeelen) en over zijn midden (het reeds verdeelde mark je bij Nes) zal bier worden gezwegen. Voor het doel van deze verhandeling ligt hier geen stof. Destemeer om de west.

Over het grondbezit op West-Ameland is tamelijk veel geschreven1).

Daar lag de mark van Hollum en Ballum, verdeeld, eerst op papier krachtens rechtbankvonnis van 1896 2), in werkelijkheid pas na de indijking der verdeelde gronden in 1914, en daar ligt nog de Hollumer Miede als erfstuk van de oude mark, als toonbeeld van versnippering en gebrekkige eerst in de laatste jaren door toedoen van het nieuw opgerichte waterschap wat verbeterde, waterloozing.

Tot in 1916 vond zij haar evenbeeld in de Miede van Ballum, waar toen de eerste (vrijwillige) ruilverkaveling, bewerkstelligd door de HeideMaatschappij, den ouden toestand gansch teniet heeft gedaan.

Ten aanzien van Hollum en Ballum vindt men in het volgend relaas samenvatting voorzoover noodig van wat elders reeds te vinden is, met enkele mij raadzaam voorkomende aanvullingen en verbeteringen nochtans,, waarbij ik van uitdrukkelijke polemiek tegen mij onjuist dunkende voorstellingen zooveel mogelijk me onthoud.

Rondom elk der beide dorpen lag een Miede (bouw- en hooiland; thans ook weiland, maar vóór de bedijking van 1914 diende hiertoe de gemeene weide die sindsdien deels in bouw is genomen), omsloten door plaggendijkjes (aan den zuidkant der Miede veelal met wierlagen); rondom de twee mieden lag de gemeene weide, die behalve als zoodanig, benut werd

1) Belangrijkste literatuur over het grondbezit op Ameland:

Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, XTV (Friesland II bl. 349);

J. Houwink, De staatkundige en rechtsgeschiedenis van Ameland tot deze eeuw; proefschrift Leiden, 1899;

Mr. J, J. Gockinga, De verdeeling van de Markgronden van Hollum en Ballum op Ameland; Leeuwarden, 1904; verder te citeeren als „Verdeeling";

Dezelfde in Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij 1918, bl. 422;

E. Dijkstra in Tijdschrift voor Kadaster en landmeetkunde, 1901, bl. 65, 1902, bl. 119, 1910, bl. 163; in De Economist 1917, bl. 440 en in Tijdschr. Ned. Heide» Mij. 1917, bl. 56, 385;

Dezelfde, Geïllustreerde Badgids met beschrijving van het eüand Ameland; Dok» kum 1911; verder te citeeren als „Badgids";

H. J. v. Leusen in Tijdschrift Nederl. Heide»Mij., 1916, bL 289;

C. W. Hoffmann t.z.p. bl. 401, 1917 bl. 129;

H. J. Klompe, t.z.p. 1917, bl. 54.

J. J. M. Jansen, t.z.p. 1918, blz. 234,

Over de marken van Buren en van Nes vindt men in het bovenstaande een en ander bij Houwink, Gockinga (Verdeeling) en Dijkstra (Badgids). *) Gockinga, Verdeeling, bl. 9 en 87.

53

53

Sluiten