Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(m.a.w. de acht vierentwintigen, die per eg behooren aanwezig te zijn) 192, het aantal achtendeelen per eg.

Men vindt er tevens de meest aannemelijke verklaring van den naam „vierentwintig". Men zou dezen kunnen duiden als 1l2i, naardien de drie eggen er samen 3 X 8 = 24 bevatten. Maar uit een paar bladzijden als dit volgt eerder, dat een vierentwintig aldus heette — en hierom ook met het cijfer 24, niet met 1/24, werd aangegeven — omdat zij in dit verkleinde evenbeeld der miede-indeeling (dat in eindsom de 192 achtendeelen geeft), de afbeelding geeft van 24 achtendeelen.

De twee bladzijden — van een dyfcboekje immers — geven op zichzelve alleen de dijkplichtigheid aan. Maar tevens weerspiegelen zij het grondgebruik. Zoo leest men hier bijvoorbeeld, dat de eerste vierentwintig der eerste half-eg van de zevende verdeeling van Jelmer-eg in drie even groote stukken is verdeeld geweest, in handen van Kemp Drewes, Harmen Nij en Jan Ones en dat Douwe Mets in de tweede half-eg derzelfde verdeeling de eerste en de vierde vierentwintig geheel in handen had. Uit zoo een boekje is derhalve het grondgebruik in de miede wat het achtendeelsland aangaat geheel te reconstrueer en.

En nu dan de „pensieren".

Opvallend veel komt het cijfer 8 voor. Zulk een 8 nu duidde een pensier aan. Elke half-eg beloopt 12 X 8, elke volle eg 24 X 8 in eindcijfer; de drie eggen samen tellen derhalve 72 pensieren, gelijk zij ook oorspronkelijk op het aantal van 72 normale hoeven, elke van 8 achtendeelen, waren gebaseerd.

Pensier dus het land of het dijkdeel eener normale hoeve Een 72ste deel van het geheel. Maar niet een zuiver 72ste, want niet alle dijkpensieren waren, althans later, even lang, zoomin als de achtendeelen alle even groot waren. Ook waren deze dijkpensieren vaak weer onderverdeeld, bijv. in „viertjes" (een half pensier) of „twietjes" (een kwart pensier), voorgesteld door een 4 en een 2.

De uitdrukking „pensier" bleef bij de dijkjes tot op de hervorming van Jan Bakker in zwang.

Bij het land is zij na 1770 — wanneer precies is onbekend — in onbruik geraakt. Maar in de bijlage van 1770 staat wel zeer duidelijk, dat „elk acht achtendeel zijn lodt en deel in grote mag ende kan gebuere op 24 plaatsen in een pensiers grote". Waarna dan de mededeeling volgt, dat op dezelfde wijze als het land ook de dijk is ingedeeld, „uitgesondert dat het achtendeel 3y2 pensier dijk heeft daar het achtendeel 3 pensier land heeft"

63

63

Sluiten