Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

splitsing voorkomen wordt, speelt daar de rol der erfgewoonten in Hollum en Ballum, waar wandelend land onbekend is.

Waar wandelend land onbekend is en was. Want ook het periodiek herdeden van vóór 1770 en 1819 mag men met wandelen niet verwarren, al lijkt het erop.

De gelijkenis is, dat de persoonlijke gebruiksrechten op bepaalde stukken grond beperkt van duur zijn, dat de voorwerpen dezer rechten wisselen van gebruiker. Maar het verschil is, dat bij periodieke herdeeling deze persoonlijke gebruiksrechten op bepaalde stukken grond van veel langer duur (hier van zes tot twaalf jaar) plegen te zijn dan bij wandelend land, waar een jaar de gebruikelijke termijn is Het verschil is bovendien en met name, dat in het stelsel der periodieke herdeelingen een gebruiksgerechtigde nimmer zonder land is.

De toestand op West-Ameland is naar allen schijn deze geweest, dat elke gerechtigde in Ballum altijd in dezelfde vierentwintig van dezelfde eg, in Hollum altijd in dezelfde twiere van dezelfde eg, doch op gezette tijden op andere plaatsen, zijn land kreeg toegewezen.

Geheel verduidelijkt is deze oude toestand hiermede zeker nog niet. Want indien de onderstelling qpgaat, die zoo aanstonds nader zal worden gestaafd, dat de drie en de zes eggen van beide dorpen oorspronkelijk geslachten waren, dan kan men zich zonder moeite de leden van het geslacht Foppen in Ballum en die van het geslacht Hilma en van de vijf andere eggen in Hollum voorstellen als beurtsgewijs den grond van het geslacht onder elkander verdeelend. Maar de Jelmera's van Jelmer-eg? En de monniken van Munks-eg? Zijn zij met hun gerechtigdheden inderdaad aanvankelijk besloten gebleven binnen wat later Jelmer-eg (en in Hollum wat later De Heers twiere) en Munks-eg was? Zoo ja, dan kan men bier periodieke herdeeling zich bëzwaarlijk denken, want in deze twee eggen en in deze eene twiere was er telkens maar één rechthebbende. Het aannemelijkst lijkt, dat de Heeren en het klooster binnen de naar hen genoemde landen vast bezitter waren, dat zij, voor zoover ook buiten deze landen gerechtigd, op gelijken voet als de andere gerechtigden periodiek mede-opdeelden en dat eerst hunne rechtsopvolgers in de eggen Jelmer en Munk en in de twiere De Heer versnippering van gerechtigdheid en hiermede de periodieke herdeelingen hebben gebracht, waarvan de andere eggen en twieren reeds het voorbeeld gaven.

Vermoedens zijn dit, open vragen. En wellicht zijn zij bestemd om open te blijven. Waarom zou van dit alles aanteekening zijn gehouden? De betrokkenen zeiven wisten het wel en zullen even weinig behoefte hebben

73

73

Sluiten