Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op Terschelling, dat volkskundig friesch is, vindt men bezuiden Landerum de „iesakkers" (een complex van kleine stukjes land, gelegen tusschen grootere perceelen) en bezuiden Hoorn de „eezen" (eveneens sterk versnipperd land) 1).

Op Ameland leverde Ballum in zijn landnamen aan esch-gelijkenissen weinig op, alleen een klein stukje in den zuid-oosthoek der miede, dat Lutje les en heette (en zijn naam met eere droeg, want het was buitensporig versnipperd).

Hollum meer. Het grootste stuk van de ooster-miede, t.w. haast heel de zuidelijke helft en een belendend stuk in het noord-oosten heet hier, van west naar oost en dan om de noord: Eerste les, Tweede les. Derde les, Zuid-Hem rik en Noord-Hem rik (elk van beide verdeeld in twee iesen). Alle deze iesen zijn aaneenliggende stukken land, waarin dan de de warren en de vierdeparten „liggen op achtendeelen", d.w.z. waarin telkens dezelfde achtendeelen (van dezelfde twieren), elk versnipperd, in de eggen of deelingen liggen in warren of vierdeparten.

Deze iesen, niet de eggen, dus zijn wat elders esschen, enken, Zeigen of Gewanne heet*).

Maar ook de eggen hebben elders hare wedergaden.

Reeds de namen en het kleine aantal dezer eggen wijzen op iets als geslachtenorganisatie En op ouderdom wijzen inzonderheid hare namen. De Jelmera's en de monniken van Ballum (Munk-eg) zijn al half-legendarisch, geen der namen is dubbel als de betrekkelijk moderne twierenamen, wat beteekent, dat eer aan geslachten of families dan aan personen de eggen haar namen hebben ontleend, en van deze eggenamen vond ik in betrekkelijk modernen tijd totnu alleen Dynga terug als den naam van een burgemeester van Hollum in 1628 3). Mogelijk echter zou verder archiefonderzoek meer kunnen opleveren.

De middel-nederlandsche beteekenis van eg (ge) is nochtans een andere: scherpe kant, hoek, zelfkant, het duitsche Ecke dus. Hoekig stuk land of grensland zou het dan, op grond toegepast, kunnen zijn. Voor Hollum brengt dit niet verder.

Op de beteekenis van „stuk land", zonder meer, wijzen de Hooge

*) „Sewies" bezuiden Formerum en „Mestiezen" bezuiden Lies durf ik niet voor eschsgrond houden; het ligt te ver van de dorpen en is niet opvallend versnipperd.

*) Vgl. Von Maurer, Einleitung bl. 73 v., Swart t.a.p. bL 88 en Mettzen ta.p. I 170 v., bl. 461.

3) Recesboeken Ameland, Rijksarchief Leeuwarden B 2 f. 14 v*.

77

77

Sluiten