Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij den Wïppert, bijgenaamd „het dorstige Hart" en verder bij 'Scheperboer of in Batmen.

De schuiten, die men voor deze scheepvaart gebruikte, waren vlak gebouwde scheepjes van 13—15 M. lang en 3 M. breed, met in 't midden gelegenheid voor het oprichten van een mast en zelfs vóór het stuur soms met een kleine kajuit, waar men ook wel kookte en sliep. Die schuiten werden meestal in Enter gebouwd en kostten 300 Thaler, zij konden soms wel 12000 pond vervoeren. In Enter zelf woonden ook vele schippers en waren wel 100 zompen. Een andere naam voor deze kleine schuiten was „potten", zooals Mr. G. J. ter Kuile in zijn „Twentsche Watermolens" vermeldt. En die naam komt nog voor in oude bijnamen, als Pottenjaan, Potteboer, Pottenkampsbrug bij het Weleveld, Pottenhook bij Deventer en het Pothoofd aldaar, de woonplaats van onzen jubilaris, den heer R. Schuiling.

Zoo'n „pot", die veel voor het vervoer van turf werd gebruikt, kon 3000 platte turven bevatten, en gaf dikwijls een bijnaam aan de turfkruiers of anderen. Zoo woonde te Borne een turfkruister, die luisterde naar den bijnaam van Potte-Ka en haar moeder en grootmoeder, die ook hetzelfde werk deden, zagen zich de namen toebedeeld van de „Middelpot" en de „Oale Pot". De man, die daar het vliegwiel aan den „zielkolk" bediende, heette „de Pottebomme" en zijn zoon droeg den bijnaam „Pottebommen-Adam".

Welke waren werden nu over onze Schipbeek vervoerd? Ik noemde reeds hout, houtskool, rogge en potaarde. Verder bracht men uit Duitschland aan: ijzer- en pottebakkerswaren, duigenhout, kromhouten (voor den scheepsbouw) gemalen eikenschors, kalk, werk, koehaar, eiers, wit keukenzand enz. Terug brachten de schuiten uit Holland: tabak, koloniale waren, cichorei-wortels, lijnzaad, weedasch, linnen- en katoenen garens, huiden, peulvruchten, visch, kaas enz. In de 60er en 70er jaren der negentiende eeuw ging het vervoer op de Schipbeek en andere oude Waterwegen in deze streken sterk achteruit. Het ging te langzaam. Stroomaf ging nogal, vooral met gunstigen wind en hoog water, zoodat men niet behoefde te „dammen", maar stroomop was moeilijk en daarmede moesten de voornaamste zaken komen. Met de treklijnen moesten man, vrouw en kinders de vaartuigen voortslepen en wanneer die niet een vrij groot laadvermogen hadden gehad, zou het in 't geheel niet loonend zijn geweest.

Toch ondanks den zwaren arbeid, vertellen de weinige nog levende schippers nog steeds met groote opgewektheid van het mooie, vroolijke schippersleven en een hunner voegde daarbij: „Miene schippersjoaren warren de mooiste oet mien heele léven!" 110

110

Sluiten