Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Oudtestamentischen tijd bekend; Salomo schrijft reeds: De Noordenwind verdrijft den regen. (Spreuken 25 : 23). „De Noordenwind maakt den hemel rein als goud" omdat de hemel dan helder is, niet bedekt door wolken en nevel — zegt de Talmud1). Natuurlijk geldt dit voor den Noordenwind in den zomer, want in den winter komt van de verstrooiende winden de koude (= uit het Noorden; Job 37 : 9.)

In den winter brengen de zeewinden aan Palestina regen, dus winden uit den Westelijken kwadrant. Dit was ook het geval in de 9e eeuw voor Chr.; want uit Achabs tijd (876—855) wordt ons vermeld: Zie een kleine wolk als eens mans hand komt op van de zee. En het geschiedde ondertusschen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een groote regen. (1 Koningen 18:44 en 45.). In de eerste eeuw was dit verschijnsel volkomen hetzelfde: „Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het Westen, terstond zegt gij: Er komt regen, en het geschiedt alzoo." (Lukas 12 : 54.) De Talmud zegt daarom: „De Westenwind is tot zegen". Op den laatsten dag van het Loofhuttenfeest zagen de feestgangers te Jeruzalem, eer ze wederkeerden, vol hoop, naar de opstijgende rookzuil van het brandofferaltaar. Wanneer die rook naar het Oosten*) dreef, brak luid gejubel los, want dan woei de Westenwind, die als voorbode van een regenrijken winter werd beschouwd. De westenwind is niet alleen de regenrijkste luchtstroom, maar ook de wind, die het meeste waait*). In verband daarmee was het verbod om in het Westen van de stad een leerlooierij te hebben, wijl zoo zegt de Talmud, de wind hier steeds waait.

Klein') heeft de meening uitgesproken, dat de Westkant van de stad hierom werd gemeden. Indien dit juist was, zouden we een merkwaardige bevestiging vinden in Jeruzalem: immers het eerst is vermoedelijk bebouwd den Oostelijken heuvel Ofél*). In verband met den hoogen ouderdom van Jeruzalem6) zou dan „de meteorologische grond" voor de vestiging in het Oosten van het heuvelcomplex een zekere bekoring verkrijgen.

Omdat ons deze kwestie interesseerde, hebben wij hierover gecorrespondeerd met Pater Vincent, die de goedheid had te schrijven:

4) Klein tip. bl. 320.

*) Vgl. Monumenta Talmudica I — 8.

*) Zie de tabel in Hann III bl. 91; verder F. M. Exner. Zum Klima von Palastina Z.D.P.V. 1910 bl. 142 v. v. 4) Klein, t. a. p. bl. 320. e) G. A. Smith. Jerusalem I bl. 161.

6) F. M. Th. Böhl. Alteste keilinschriftliche Erwahnungen der Stadt Jerusalem und ihrer Göttin? (Acta Societatum Orientalium Batavae 1922 bl. 76 v. v.) — toont aan dat de stad bestond, lang voor den Amarnatijd.

115

115

Sluiten