Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thans wordt het beschreven als een land, waar men getroffen wordt door de grijze, eentonige kaalheid, hier en daar een groen dal, overigens dorre hoogvlakten, waarboven grijze rotskoepels zich boomloos verheffen1).

In de oudheid wordt het vermeld als een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgeboomen en granaatappelen; een land van olierijke boom en en van honing. (Deuteronomium 8:8). Dienzelfden indruk krijgt men ook uit het Egyptische verhaal van Sinoehe, waarin Palestina wordt beschreven „als een schoone streek". Vijgen waren er en wijndruiven, meer wijn dan water. Het was rijk aan honing en overvloeiend van olie. De boomen droegen velerlei vruchten, men vond er tarwe en gerst en overvloed van vee1)... Zoo schrijft ook Kittel1): Die Besiedelung der fruchtbaren Ebenen, besonders von Jesreel, die Grfindung wohlbewehrter Stadte, der Einflusz der reichen Hafenstadte Syriëns, scheinen schon damals auch in den Stadten des Binnenlandes eine in behaglichem Wohlstand lebenden Bauernschaft und ein reiches zu üppigen Wohlleben neigendes Bürgertum von Handwerkern, Künstlern, Handelsherren geschaffen zu haben.

Intusschen moeten we niet vergeten, dat de mededeelingen over vruchtbare landstreken zien op bepaalde landstreken in Palestina*). Ook de Bijbel geeft niet de voorstelling, alsof geheel Palestina een vruchtbaar land is. Breede dalen en vlakten zijn voor den landbouw uitnemend geschikt*); de dalen zijn bedekt met koren. (Ps. 65 : 14); die van Beth-Sémes maaiden den tarweoogst in het dal. (1 Samuel 6 : 13); men leest aren in het dal Refaïm. (Jesaja 17 : 5); de stad Samaria is het hoofd der zeer vette vallei. (Jesaja 28 : 1); de verspieders kwamen tot het dal Eskol, en sneden van daar eene rank af, met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeën, op een draagstok, ook van de granaatappelen en de vijgen. (Numeri 13 : 23). Daarentegen wordt ook gesproken van woeste plaatsen, waar in den winter het veld begroeid is met gras, dat in den voorzomer reeds verwelkt is

*) Dr. H. Th. Obbink. Op Bijbelschen Bodem. Utrecht 1924. bl. 227.

*) Dr. F. M. Th. Böhl. Kanaan vóór den intocht der Israëlieten volgens Egyptische en Babylonische bronnen. Groningen 1913 bL 21. Het verhaal van Sinoehe is uit den tijd der Aartsvaders.

*) Rud. Kittel. Die Kultur Palastina's in der Zeit vom 16. bis zum 13. Jahrhundert v. Chr. Leipzig 1911. bl. 2. Zijn berichten ontleent hij aan de annalen van Toetmosis UI.

4) Bovendien moeten we niet vergeten de bevloeiing: de terrassencultuur en de bouw in „een bewaterden hof". Jer. 31:12. Zie P. Karge. Die Resultate der neueren Ausgrabungen und Forschungen in Palastina. Munster 1912. bL 21.

*) Hierop wijst ook Max Weber in zijn verhandeling: „Das antike Judentum" in „Gesammelte Aufsatze zur Religionssoziologie" III. bL 12.

121

121

Sluiten