Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den talmudischen tijd waren er, volgens Krauss, geen eigenlijke bosschen in Palestina (behalve op den Libanon, Karmel, Tabor en andere bergen), „obzwar der damalige Zustand von Palastina gewisz auch in diesem Punkte gunstiger was als der heutige"1). Voor de oudheid beroept men zich op het feit, dat Eyptenaren, wier land arm was aan hout, naar Palestina trokken om hout te koopen voor den bouw van huizen en tempels. Toch gaan deze Egyptenaren niet alleen naar Palestina; immers de opperschatmeester van Tutmosis III, Sen-nofre zendt een expeditie naar den Libanon ') om cederen te halen. Die houtvoorziening moeten we dus niet tot Palestina beperkt zien, maar geschiedt door geheel Syrië').

Het Oude Testament geeft ons slechts spaarzame berichten over bosschen. Wel worden vaak genoemd de bosschen van den Karmel (het woord Karmel beteekent Boomgaard) of van Basan (...eiken van Basan, Zacharia 11 : 2; Jesaja 2 : 13) of de hooge cederboomen van Libanon en de uitgelezen dennen, Jes. 37 : 24; verder Jesaja 2 : 13; 14 : 8; Jeremia 22 : 23; 1 Kon. 7 : 2; 2 Kon. 19 : 23. Overigens is weinig van wouden sprake; slechts van het woud van Efraim (b.v. 2 Sam. 18 : 6 ...de strijd geschiedde bij Efraims woud) of het woud Chereth (...Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. 1 Samuel 22 : 5) of het woud Zif (1 Sam. 23 : 15 en 16, 18 en 19). Merkwaardig is vooral, dat de Joden bij hun vestiging in Kanaan woud hebben uitgeroeid (Jozua 17 : 15 en 18. Jozua nu zeide tot henlieden: Dewijl gij een groot volk zijt, zoo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land der Ferezieten en der Refaieten, dewijl u het gebergte van Efraim te eng is... het gebergte zal uwe zijn en dewijl het een woud is, zoo houw het af). Trouwens bij de Palestijnsche Israëlieten werd de akker boven het woud geschat; het vruchtbare veld geldt als tegenstelling van het bosch. (Jesaja 29 : 17).

Letten we dus op de berichten omtrent wouden, dan meenen we, dat men niet tot de slotsom mag komen, dat het vroeger dicht met zware wouden bezet was; evenwel schijnt de houtrijkdom grooter geweest te zijn

1) Krauss UI. bl. 201.

2) H. Gressmann. Altorientalische Texte und Bilder zum Alten Testament, bl. 243.

3) A. Jeremias. Kanaan in vorisraelitische Zeit bl. 6. Overigens voert Kittel voor houtuitvoer uit Palestina zelf aan: lm Papyrus Golénischeff kommt Wenn Amon um 1150 nach der Hafenstadt Dor wenig südlich vom Karmel (beim heut. Tantura.) Es ist freilich nicht ganz klar, weshalb er hier landet. Doch liegt es nahe anzunehmen, dasz ihm schon hier der Landesfürst Holz für Agypten verkaufen sollte. (Rud. Kittel. Geschichte des Volkes Israël I, blz. 21, noot 6).

123

123

Sluiten