Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook elders1) geeft de Lapparent aan, dat een enkele maal diaclazen de oorzaak kunnen zijn.

In het droogdal van Colmont kan men tal van opmerkelijke waarnemingen omtrent dit vraagstuk doen. De meeningen van Lasne zouden hier inderdaad een belangrijke steun kunnen vinden in het feit, dat onder den dalbodem een sterke grondwaterstroom zich beweegt. Op treffende wijze blijkt dit, als men het dal vervolgt tot aan de Geul door het gehucht Etenaken heen, bez. hetwelk de alluviën van droogdal en Geul samensmelten. Waar dit geschiedt, ontspringt een sterke bron van naar schatting 50 Liters water per seconde. Het ligt zeer voor de hand deze bron als uitmonding van een grond-water stroom te beschouwen, die met het dal coincideert.

Toen een onzer observeerde, dat aan den mond van andere droogdalen, zooals die van Ransdaal—Schoonbron en van Strucht eveneens bronnen ontspringen, was geen twijfel meer mogelijk. Trouwens, de meest voor de hand hggende verklaring voor het ontstaan der talrijke droogdalen in het krijt van Zuid-Limburg is toch wel deze, dat door de insnijding der grootere riviertjes als Geul, Gulp, Selzer Beek, enz. de grondwaterspiegel lager kwam te liggen, beneden het dalbodemniveau der kleine zijbeken, die hun dal niet zoo snel konden uitdiepen en daardoor eerst gededtehjk, later geheel hun water aan het grondwater verloren, zoodat we ze nu als droogdalen terug vinden.

Het is door het gebrek aan voldoende ontsluitingen niet gemakkelijk na te gaan, of hier de meeningen van Lasne in instortingen voorkomend uit ondergrondsche oplossingsverschijnselen een steun vinden. Wat gevonden werd, levert echter geen bevestiging van een ontstaan der graften tengevolge van verschuivingen. In de reeds bovengenoemde kalkgroeve in het droogdal van Colmont ten Z. van Fromberg is n.1. een dwarsprofiel door een graft aangegraven (vgl. PI. IV). Enkele meters achter de graft bevond zich een loodrechte aan de graft evenwijdige vei^uivingsspleet, waarin losse brokken kalksteen verzakt waren; de spronghoogte van de afsdiuiving bedroeg echter slechts 10 a 20 cM.; de graft zelf was naar schatting een drietal meters hoog. Zij kon nooit tengevolge van deze verschuiving ontstaan zijn, omdat graft en verschuiving niet samenvielen. Boven de verschuiving was geen graft aanwezig.

De Hèer F. H. van Rummelen te Heerlen deelde ons het volgende mede:

„Ter plaatse van den Welterberg is de storingsspleet van Benzenrade

*) A. de Lapparent Lecons de géographie physique 3ième éd. Paris 1907, p. 104. 136

136

Sluiten