Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovendien per se niet noodzakelijk en behoeft dus ook niet voor het latere ontstaan der graft verantwoordelijk te worden gemaakt, zooals Lasne dit aanneemt.

Bij de vroeger steeds gevolgde gewoonte van boven naar beneden te ploegen, moest langzaam aan de losse verweeringsgrond van de bovenzijde van de terreinstrook van een bepaalden eigenaar naar de benedenzijde verplaatst worden, waardoor deze terreinstrook genivelleerd werd en zoowel aan boven- als benedenzijde een graft ontstond, want ook de boven- en benedenbuurman werkten in denzelfden zin. Geheel hiermede in overeenstemming vertoont het lengteprofiel van een graft, waar dit ontsloten is, steeds eenzelfde aspect; aan de onderzijde de vaste rots, daarboven een overgangslaag van lossen grond met steenbrokken en daarboven den lossen verweeringsgrond; ook het bovengenoemde dwarsprofiel van een graft in de groeve ten Z. van Fromberg het duidelijk zien, hoe de verweeringslaag naar de onderzijde van de terreinstrook toe dikker werd. Derhalve zijn de graften in ons Limburg meestal niet gevormd tengevolge van vereffening van bestaande onregelmatigheden in de dalhelling, zooals de Lapparent voor Picardië aanneemt, maar zij werden door het ploegen juist geschapen. Een enkele maal zal het ploegen ook wel kleine ribbels in de dalhelling geaccentueerd hebben, maar de Kunrader kalken zijn veelal egaal van hardheid en toch toonen zij vele graften op plaatsen, waar oorspronkelijke oneffenheden, afkomstig van hardere banken, uitgesloten zijn.

Wat nu betreft het optreden van twee vaak loodrecht op elkaar staande graftrichtingen, zoo kan men in het terrein steeds nagaan, hoe dit samenvalt met het ombuigen der hoogtelijnen. De eene richting sluit zich dan aan bij de algemeene afhelling van het terrein, de andere bij de helling naar de as van het droogdal. Al naar gelang volgens de eene of andere afhelling geploegd wordt, ontstaat de graftrichting, maar steeds loodrecht op de resp. hellingsrichting. De Lapparent (Lecons etc. p. 104) wees eveneens op dit verschijnsel voor sommige dalen in de Jura van Lotharingen.

Volgens het getuigenis der boeren moet tegenwoordig het aantal graften door slechten geringer worden. Ook Demangeon1) merkt dit op voor Picardië. Wanneer nml. door aankoop een stuk land vergroot wordt, en de graft, die nu binnen het perceel is komen te liggen, de grondbewerking bemoeilijkt, doet zich dit voor.

Het is ons opgevallen, dat in het droogdal van Colmont een serie steilranden tegen het droogdal van het Colmontsbosch, even ten O., ophoudt

*) A. Demangeon. La Picardië et les régions voisines. Paris 1905, p. 45. 138

138

Sluiten