Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krijgen van een goeden oogst. Beplanten de Tumleo hun velden — welke op open plekken in 't bosch liggen — dan letten ze er speciaal op, dat ze goede jonge plantjes zetten naast de boomstronken, welke hier bij het afbranden nog zijn blijven staan. Deze stronken n.1. dienen tot zitplaatsen voor de voorvadergeesten, welke van hieraf het werk van hun nakomelingen gadeslaan. Gedurende het beplanten spreken de Tumleo herhaaldelijk de namen van hun voorvaderen uit en bidden hen het veld te bewaken en bijzonder te verzorgen, opdat hun nazaten een goeden oogst mogen hebben en bewaard mogen blijven voor den honger.

In den herfst, als de eerste vruchten binnengehaald worden, zondert men een deel ervan af als offer voor de voorvadergeesten van den landeigenaar. Deze worden daarbij als volgt aangesproken: „O gij, die onze velden bewaakt hebt, gelijk wij tl gebeden hebben te doen, ontvangt nu onze gaven en aanschouwt ons in gunst, nu en voortaan."

Evenzoo zal een jager bidden tot den geest zijns vaders om veel wilde varkens in zijn net te drijven.

Is men bovendien met de jacht of vischvangst erg gelukkig geweest, dan wordt de geheele vangst in het clubhuis gebracht en daar opgegeten. Blijkbaar zit daar de bedoeling achter, dat de voorvaderen, die de vangst zoo gezegend maakten, nu meeëten van den buit. Hier in het clubhuis zijn hun schedels en dus hun zielen. Natuurlijk gebruiken de onstoffelijke zielen geen stoffelijk voedsel, doch enkel de ziel, de geur der spijzen. Soms wordt eerst nog wel eens een deel van 'toffer aan den voet van het beeld of bij den schedel gelegd. Later wordt ook dit weer weggenomen en opgegeten: de zielen gebruikten alleen het immaterieele! Deze ceremoniën herhalen zich bij elke oogst, jacht, vischvangst, enz. De geesten worden steeds genoodigd om mee te eten van 't verkregen voedsel: „Komt en eet; hier zetten we voedsel voor u. 't Is een deel van al wat we hebben." Ruischt dan 's avonds de nachtwind door de boomtoppen, dan weet men, dat de geesten in 't dorp zijn. Het matte schijnsel van den ghmworm bij het graf is de schittering van het oog der ziel.

Van de Kiwai Papoea's (Britsch N. Guinea) vertelt Dr. Landmann, dat deze o.m. voedsel of geschenken brengen op plaatsen waar doodengeesten veel vertoeven en dat de inboorlingen daarbij gebeden prevelen in de stellige overtuiging, dat de geesten hen zullen helpen. Ook hierin dus de elementen der zuivere doodenvereering.

Evenals op N. Guinea heeft men deze ceremoniën ook op de kleinere eilanden van Melanesië. Is op N. Caledonië gemeld, dat de zee bijzonder vischrijk is op zekeren tijd, dan houdt men eerst een reeks ceremoniën.

147

147

Sluiten